Sportverenigingen ondersteunen vraagt meer dan een loket, een thema-avond of een los adviesgesprek. In Veenendaal kiest Sportservice Veenendaal voor een structurele aanpak. Met een Vitaliteitsmonitor, een lokaal dashboard en een kernteam clubondersteuning krijgt de ondersteuning aan sportaanbieders steeds meer richting. ‘We doen alles wat sport is in de gemeente Veenendaal’, zegt Ate Brouwer, Manager Sportontwikkeling bij Sportservice Veenendaal. De organisatie telt 120 medewerkers en voert namens de gemeente taken uit rond zwembad, accommodaties, sportontwikkeling en evenementen. Binnen het team Sportontwikkeling valt ook de clubondersteuning. Die clubondersteuning kreeg de afgelopen jaren extra structuur. Het Sportakkoord diende daarbij als vliegwiel. ‘We deden al veel, maar het voelde soms ook ad hoc. Gewoon doen, zoals sporters dat vaak doen. Maar we wilden beter weten aan welke knoppen we konden draaien.’
Van gevoel naar gericht ondersteunen
Sportservice Veenendaal voerde al langer periodiek een monitor uit onder sportaanbieders. Samen met Data IM groeide die vragenlijst uit tot een Vitaliteitsmonitor met dashboard. De uitkomsten komen per aanbieder samen in een rapport met scores per thema en een totaalbeeld. De gedachte daarachter is praktisch. Data moet niet alleen iets zeggen, maar vooral bruikbaar zijn in het gesprek met bestuurders. ‘Ik moet het in één oogopslag kunnen zien’, zegt Brouwer. ‘En ik moet het aan een sportaanbieder kunnen uitleggen: dit vulden jullie in, zo scoren jullie op vitaliteit en dit zijn de knoppen waar we aan kunnen draaien.’ Veenendaal telt 43 sportaanbieders die binnen de monitor vallen. Het gaat om aanbieders die in Veenendaal gevestigd zijn, ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel en aangesloten zijn bij een bond of organisatie binnen de georganiseerde sport. In 2025 vulden 42 van de 43 sportaanbieders de monitor in. Dat hoge bereik maakt de uitkomsten bruikbaar. Niet alleen per vereniging, maar ook voor het totaalbeeld richting gemeente.
Beleid vraagt de meeste aandacht
Uit de monitor komt naar voren dat het thema leden en accommodaties bij veel Veenendaalse sportaanbieders relatief goed scoren. Dat verraste Brouwer deels, zeker na de coronaperiode. Tegelijk speelt Sportservice Veenendaal zelf een rol in accommodatiebeheer en ondersteuning, waardoor die basis in veel gevallen op orde lijkt. Meer aandacht vraagt de kant van financien, kader, vrijwilligers,en vooral beleid. Juist daar ziet Brouwer ruimte voor verbetering. Sportservice Veenendaal kijkt ook kritisch naar de manier waarop de maatschappelijke rol van verenigingen gemeten wordt. ‘We dienen verenigingen soms een hele grote maatschappelijke rol toe’, zegt Brouwer. ‘Maar ze zijn natuurlijk al maatschappelijk relevant.’ Daarmee raakt hij aan een bredere discussie in de verenigingssport. Niet elke club hoeft een open buurthuis, zorgpartner of welzijnsorganisatie te zijn. Alleen al het samen organiseren van sport, vrijwilligerswerk en ontmoeting levert maatschappelijke waarde op. .
Niet meten om te meten
De kracht van de Veenendaalse aanpak zit vooral in de stap na de meting. Clubs die onvoldoende scoren in het algemene beeld of op het thema beleid, krijgen een intakegesprek. Daarin neemt Sportservice Veenendaal het rapport met het bestuur door. Herkennen bestuurders de uitkomst? En vooral: welke ondersteuning past bij de behoefte van de vereniging? Brouwer benadrukt dat Sportservice Veenendaal niet met een standaardaanbod komt. ‘Dus niet, wij komen even brengen. We vragen juist waar de behoefte aan ondersteuning zit.’ Tegelijk koppelt het team bestaande diensten direct aan de uitkomsten. Een nieuw bestuur kan bijvoorbeeld aansluiten bij de cursus Besturen met Impact. Kleinere clubs kunnen samen in een pilot aan beleid werken. Verenigingen zonder vertrouwenscontactpersoon krijgen gericht aanbod voor scholing.
Beleid hoeft niet dik te zijn
Voor veel sportverenigingen klinkt beleid zwaar. Brouwer probeert dat juist klein en praktisch te maken. Een beleidsplan hoeft niet uit tientallen pagina’s te bestaan. ‘Het gaat er niet om dat er een beleidsplan komt dat in de kast eindigt’, zegt hij. ‘Het gaat erom dat je op een paar A4’tjes opschrijft wie je bent, waarom je doet wat je doet en hoe je dat organiseert.’ Juist daar ligt voor veel vrijwillige bestuurders een herkenbare uitdaging. Ook een sportclub heeft baat bij een stevig fundament. Brouwer zegt het scherp: ‘Als je geen beleid en begroting op orde hebt, dan ben je maar wat aan het doen.’
Lokaal leernetwerk
Grote en kleine clubs tellen mee
Regio kijkt mee

