Skip links

Schijnzelfstandigheid vraagt om scherpte van sportbestuurders

Sportverenigingen werken met vrijwilligers, trainers, verenigingsmanagers, terreinbeheerders en soms ook met ingehuurde specialisten. Precies daar ontstaat volgens Riana Gouwen van DIVA Sport een risico dat veel clubbesturen nog onderschatten. Niet zozeer de nieuwe WTTA vormt op dit moment de grootste uitdaging, maar de Wet DBA en de handhaving op schijnzelfstandigheid.

‘Een vereniging heeft daarin net zulke grote verplichtingen als een reguliere werkgever’, zegt Gouwen. ‘Ook een sportclub huurt natuurlijk zzp’ers in om trainingen te geven. Dan krijg je het risico dat zo’n zzp’er eigenlijk als dienstverband wordt gezien.’

WTTA raakt vooral de tussenpartij
De Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten, kortweg WTTA, is nog niet van kracht. Toch plaatst Gouwen die wet voor sportverenigingen in perspectief. De WTTA richt zich vooral op partijen die arbeidskrachten ter beschikking stellen, zoals uitzendbureaus, detacheerders, payrollorganisaties en andere bemiddelaars.

Voor een sportclub zelf vormt dat meestal niet het eerste risico. ‘Die WTTA is echt bedoeld voor de tussenpersonen’, zegt Gouwen. Toch kunnen clubs de wet niet volledig negeren. Een vereniging die trainers, begeleiders of andere krachten via een sportkaderorganisatie, tennisschool, voetbalschool of bureau inzet, moet straks wel weten met wie zij werkt. Als zo’n tussenpartij mensen uitleent zonder de juiste toelating, kan dat ook voor de inlenende club gevolgen krijgen. ‘Dat moet je aan de voorkant goed vragen’, zegt Gouwen. ‘Als een voetbalschool zzp’ers bij jou neerzet, moet je vooraf goed regelen of dat klopt.’

Het echte risico zit bij de Wet DBA
Volgens Gouwen ligt de urgentie voor clubbestuurders vooral bij de Wet DBA. Die wet draait om de vraag of iemand werkelijk als zelfstandige werkt, of feitelijk in loondienst actief is. De bedoeling achter de wet begrijpt zij goed: bescherming van werkenden en tegengaan van misbruik. Tegelijk ziet zij dat de regels in de sportpraktijk ingewikkeld uitpakken.

‘De wet is bedoeld om mensen te beschermen, zodat er geen misbruik van ze wordt gemaakt’, zegt ze. ‘Maar bij verenigingen slaat dat soms ingewikkeld uit. Een club werkt vaak met vrijwilligersbesturen, maar krijgt wel dezelfde verplichtingen als een gewone werkgever.’

In de sport gaat het vaak om trainers. Sommige trainers staan op de loonlijst, anderen werken als zzp’er. In de praktijk voeren zij soms exact dezelfde werkzaamheden uit. Juist daar ontstaat spanning. Gouwen noemt een herkenbaar voorbeeld uit de tennis- en padelwereld. Een zelfstandige trainer en een trainer in loondienst staan op dezelfde baan, geven dezelfde lessen, gebruiken dezelfde materialen en draaien mee binnen hetzelfde rooster. Dan kijkt de Belastingdienst niet alleen naar het contract, maar vooral naar de praktijk.

‘Je kunt wel iets opschrijven, maar is dat ook echt zo in de praktijk? Daar gaat het om.’

Vaste roosters, clubkleding en aansturing
Een zzp-constructie raakt kwetsbaar als de vereniging te veel bepaalt hoe iemand werkt. Gouwen noemt een aantal signalen die bestuurders serieus moeten nemen: vaste trainingsdagen, verplichte clubkleding, materialen van de club, aansturing door de technische commissie en geen mogelijkheid om jezelf te laten vervangen.

‘Als een trainer wordt aangestuurd door de technische commissie, clubkleding moet dragen, gebruik moet maken van materialen van de voetbalclub, op vaste dagen training moet geven en zichzelf niet mag laten vervangen, dan ga je eigenlijk al stuk’, zegt Gouwen.

Niet elk punt telt even zwaar. Over materialen ziet zij bijvoorbeeld ruimte voor nuance. Een trainer hoeft in de praktijk niet altijd met eigen ballen, pionnen of tassen naar de club te komen. Maar het totaalbeeld telt. Belangrijker is of een zelfstandige daadwerkelijk als ondernemer kan werken. De mogelijkheid om zich te laten vervangen, eigen kleding te dragen, voor andere opdrachtgevers te werken en zelf de werkwijze te bepalen, weegt daarbij mee. Hoe meer de club in de praktijk bepaalt, hoe sneller een zzp-constructie kwetsbaar wordt.

Evalueren mag, aansturen is iets anders
Voor bestuurders voelt dit soms onnatuurlijk. Een vereniging wil kwaliteit bieden. Als een trainer niet goed functioneert, spreekt een bestuur of technische commissie diegene daarop aan. Dat hoort bij goed bestuur. Toch maakt Gouwen onderscheid tussen evalueren en inhoudelijk aansturen. ‘Kritiek geven of een evaluatiegesprek voeren is iets anders dan zeggen: ik wil dat jij de training op deze manier gaat geven’, zegt ze. ‘Dan kom je bij een gezagsverhouding terecht.’

Juist die gezagsverhouding vormt een kernpunt bij de beoordeling van arbeidsrelaties. Een trainer die volledig onder leiding van de club werkt, nauwelijks ondernemersvrijheid kent en structureel in het normale rooster meedraait, lijkt juridisch steeds minder op een zelfstandige.

Kijk verder dan alleen trainers
Gouwen waarschuwt clubs om niet alleen naar zzp-trainers te kijken. Dezelfde vraag speelt bij verenigingsmanagers, terreinbeheerders, groundsmen, coördinatoren en vrijwilligers die structureel een vergoeding ontvangen. ‘Begin met inventariseren’, zegt ze. ‘Wie lopen er rond binnen de club? Wat betaal je iedereen? Onder welke categorie valt iemand nu: vrijwilliger, werknemer of zzp’er? En klopt dat nog?’

Daarbij ziet zij in de praktijk ook risico’s rond vrijwilligersvergoedingen. Vooral in het voetbal speelt dit volgens haar regelmatig. Een vrijwilliger mag niet onbeperkt een vergoeding ontvangen. Gaat het bedrag boven de toegestane grenzen uit, dan moet een club opnieuw kijken naar de juiste fiscale en juridische vorm.

Soms valt er wel degelijk slim en netjes te organiseren. Iemand kan bijvoorbeeld voor de ene taak loon ontvangen en voor een andere taak een vrijwilligersvergoeding, maar alleen als het echt om verschillende werkzaamheden gaat. Een hoofdtrainer die daarnaast af en toe een losse klus in de kantine doet, vraagt dus om een andere beoordeling dan iemand die voor dezelfde trainersrol twee soorten vergoedingen ontvangt.

Modelovereenkomst helpt, maar de praktijk telt
Veel bonden bieden modelovereenkomsten aan. Die kunnen helpen, zegt Gouwen, maar zij waarschuwt voor schijnzekerheid. Een overeenkomst op papier beschermt een vereniging niet als de dagelijkse praktijk iets anders laat zien. ‘Gebruik zo’n modelovereenkomst in ieder geval’, zegt ze. ‘Maar zorg er ook voor dat die overeenkomst echt overeenkomt met de praktijk.’

Een club die in een overeenkomst zet dat een trainer zich mag laten vervangen, moet dat in de praktijk ook accepteren. Staat er ondernemersvrijheid op papier, dan moet die vrijheid ook echt bestaan. Anders biedt de overeenkomst weinig bescherming.

ZZP in de sport kan nog steeds
De discussie over schijnzelfstandigheid wekt soms de indruk dat werken met zzp’ers in de sport nauwelijks nog mogelijk is. Dat beeld klopt volgens Gouwen niet. De kern zit niet in het vermijden van zzp’ers, maar in het aantonen dat iemand ook echt als zelfstandige werkt. Daarbij telt het totaalplaatje. Niet alleen de overeenkomst op papier, maar vooral de manier waarop de samenwerking in de praktijk loopt. Krijgt een trainer voldoende ondernemersvrijheid? Kan hij of zij zelfstandig keuzes maken? Is vervanging mogelijk? En valt dat achteraf ook aan te tonen?

Juist daar ligt volgens Gouwen de grootste uitdaging voor sportverenigingen en zelfstandigen. Een modelovereenkomst helpt, maar geeft op zichzelf geen volledige zekerheid. Clubs moeten kunnen laten zien dat de afspraken op papier aansluiten bij de dagelijkse praktijk. Daarvoor ontstaan inmiddels ook praktische hulpmiddelen. Applicaties zoals ZZP Ja/Nee kunnen zelfstandigen en opdrachtgevers helpen om ondernemerschap en samenwerking beter vast te leggen. Daarmee draait het niet alleen om een overeenkomst, maar ook om een dossier waaruit blijkt hoe de samenwerking daadwerkelijk is ingericht.

De vraag voor sportverenigingen is daarom niet of werken met zzp’ers nog kan. De vraag is vooral of de club kan aantonen dat zij met echte zelfstandigen werkt. Wie dat goed organiseert, hoeft flexibel ondernemerschap in de sport niet uit de weg te gaan.

Projectmatig werken verkleint risico
Een andere praktische route ligt volgens Gouwen in projectmatig werken. Een zelfstandige voor een afgebakende periode of opdracht inzetten, past beter bij ondernemerschap dan iemand jaar na jaar als vaste kracht laten meedraaien. ‘Als je een verenigingsmanager voor een halfjaar inhuurt om een bepaald doel te bereiken, is dat al anders dan een trainer die jaar in, jaar uit als zzp’er voor je werkt en verder niets anders doet’, zegt ze.
Voor sportbestuurders betekent dit dat zij niet alleen naar het contract moeten kijken, maar ook naar duur, afhankelijkheid en inbedding in de cluborganisatie. Hoe structureler en vaster de rol, hoe groter de kans dat een arbeidsrelatie ontstaat.

Wachten op het eerste praktijkvoorbeeld
Concrete sportzaken rond handhaving op schijnzelfstandigheid kent Gouwen nog niet. Juist dat maakt de situatie lastig. Veel verenigingen wachten af, terwijl de risico’s al zichtbaar zijn.

‘We hebben nog geen praktijkvoorbeelden’, zegt ze. ‘Maar de risico’s zie je overal. Iedereen denkt: het loopt zo’n vaart niet. Totdat het natuurlijk een keer misgaat.’

Zij ziet bij controles wel dat de Belastingdienst soms oog toont voor de bijzondere positie van sportverenigingen. Maar daarop leunen vindt zij onverstandig. ‘Er is soms coulance, maar daar kun je niet van uitgaan.’

Niet bang maken, wel voorbereiden
Gouwen wil sportbestuurders niet afschrikken. Verenigingen draaien op vrijwilligers en krijgen al veel regelgeving op zich af. Toch vraagt dit onderwerp volgens haar om actie. ‘Je wilt niet iedereen bang maken voor alle risico’s’, zegt ze. ‘Maar je kunt wel proberen het aan de voorkant goed te regelen.’ Voor veel clubs begint dat niet met ingewikkelde juridische analyses, maar met overzicht. Wie verricht betaald werk binnen de vereniging? Welke vergoeding staat daar tegenover? En past de gekozen vorm nog bij de praktijk: vrijwilliger, werknemer, zzp’er of ingehuurd via een derde partij?

Praktische steun voor bestuurders
DIVA Sport wil clubs op dit punt ondersteunen met praktische uitleg en handvatten. Volgens Gouwen vraagt dit onderwerp om toegankelijke informatie, juist omdat veel vrijwillige bestuurders geen juridische of fiscale achtergrond hebben. ‘Sommige clubs weten precies waar ze moeten kijken’, zegt ze. ‘Maar bij kleinere sporten zijn er ook bestuurders die denken: modelovereenkomst, wat bedoel je?’

Daar ligt volgens haar ook een bredere opdracht voor de sportsector. Arbeidsmarktregels zijn geschreven voor werkgevers en opdrachtgevers, maar raken steeds vaker vrijwilligersorganisaties. Verenigingen leveren maatschappelijke waarde, maar moeten ondertussen wel voldoen aan dezelfde fiscale en juridische kaders als professionele organisaties.

Voor sportbestuurders is de boodschap helder: wacht niet op de eerste controle. Breng de situatie binnen de club in kaart, toets de praktijk en regel afspraken vooraf. Niet om de vereniging juridisch dicht te timmeren, maar om te voorkomen dat goedbedoelde afspraken later alsnog tot problemen leiden.

Meer informatie klik hier