Skip links

Marjan Olfers: ‘Sportverenigingen vragen om structureel beleid, geen wiebelbeleid’

Sportverenigingen spelen een veel grotere rol dan sport alleen. Ze verbinden mensen in wijken, bieden ruimte aan ontmoeting, dragen bij aan gezondheid en geven kinderen, ouders, ouderen en vrijwilligers een plek in de samenleving. Tegelijk groeit de druk op de vrijwillige bestuurders die al die verenigingen draaiende houden.

Prof. mr. Marjan Olfers, hoogleraar Sport en Recht aan de Vrije Universiteit Amsterdam, ziet daarin een duidelijke spanning. In gesprek met het Register voor Verenigingsbestuurders reageert Olfers op het impactrapport over de maatschappelijke waarde van sportverenigingen, de actuele problemen rond de BOSA-regeling en de discussie over een mogelijke onafhankelijke ombudsfunctie voor sportverenigingen.

Volgens Olfers valt de brede betekenis van sportverenigingen moeilijk te overschatten. Clubs staan vaak letterlijk en figuurlijk midden in de wijk. Ze vormen een plek waar mensen elkaar tegenkomen die elkaar anders niet snel spreken.

‘Het zijn vaak clubs die midden in de wijk staan waar je elkaar ontmoet, waar ouders langs de lijn komen. Het zijn sociaal-maatschappelijke instellingen waar het niet alleen gaat om netwerken of gezondheid bevorderen, maar ook om samen te komen.’

Juist dat dagelijkse karakter maakt sportverenigingen volgens haar waardevol. De vereniging biedt niet alleen trainingen of wedstrijden, maar ook ritme, herkenning en contact. Voor kinderen, ouders en vrijwilligers ontstaat daar een sociale omgeving.

Voor ouderen kan een club ook een plek vormen om even naartoe te lopen of mensen te ontmoeten. Sommige verenigingen breiden die functie bovendien uit met activiteiten voor ouderen of andere doelgroepen. ‘Daar gebeurt het, dus het bruist en er komt talent naar voren.’

Waarde onder druk

Die maatschappelijke waarde vraagt volgens Olfers om erkenning, maar vooral ook om stabiel beleid. Want terwijl verenigingen steeds vaker aangesproken worden op hun rol in gezondheid, inclusie, jeugd en leefbaarheid, ervaren bestuurders tegelijk onzekerheid rond regelingen, accommodaties en gemeentelijke keuzes.

Olfers noemt de overheid daarbij expliciet. Regelingen komen en gaan, terwijl verenigingen juist behoefte aan continuïteit voelen. Investeringen in accommodaties, verduurzaming of nieuwe velden vragen vaak een lange adem. Voor sportclubs kan wisselend beleid grote gevolgen krijgen.

‘Daar heb je gewoon structureel goed beleid voor nodig. En niet wiebelbeleid.’

Die onzekerheid speelt niet alleen landelijk. Ook gemeentelijk beleid raakt sportverenigingen direct. Olfers wijst op accommodaties, velden en zwembaden. Clubs zijn voor zulke voorzieningen sterk afhankelijk van lokale keuzes. Als middelen ontbreken of besluiten jaren duren, schuift de druk vaak door naar vrijwillige bestuurders.

Voorzitters en penningmeesters belanden dan soms in langdurige trajecten rond verhuizing, fusie, nieuwbouw of renovatie. ‘Het vraagt heel veel van vrijwilligers die hun bestuurstaak naast werk, gezin en andere verplichtingen uitvoeren,’ zegt Olfers. ‘Dat is bijna niet te doen.’

Vrijwilliger, maar wel bestuurder

Een belangrijk punt voor Olfers is de juridische en bestuurlijke positie van vrijwillige bestuurders. In de praktijk krijgen zij steeds vaker te maken met dezelfde verantwoordelijkheden als professionele bestuurders. Dat schuurt.

‘Een vrijwillige bestuurder moet zorgvuldig handelen en zich als goed bestuurder gedragen,’ zegt de hoogleraar. ‘Tegelijk gaat het vaak om mensen die zich inzetten uit betrokkenheid bij hun club, niet omdat zij specialist zijn in juridische procedures, subsidievoorwaarden, vastgoed, integriteit of conflictoplossing.’

Olfers ziet dat de druk op bestuurders stijgt. Aansprakelijkheid speelt nadrukkelijker mee, mensen stappen sneller naar de rechter en maatschappelijke spanningen zijn er ook op het sportpark. ‘Denk aan ouders langs de lijn die zich misdragen, conflicten binnen teams of meldingen rond seksueel grensoverschrijdend gedrag. Daar ben je in de regel niet voor bestuurder geworden. Soms liggen er zware dossiers op je bord.’

Voor verenigingen betekent dat een kwetsbare situatie. Het lukt niet veel clubs niet om bestuursfuncties goed te vullen. Daardoor komt veel werk terecht bij steeds dezelfde mensen. ‘Door de toegenomen regeldruk wordt de drempel om bestuurder te blijven of toe te treden steeds hoger.’

BOSA als actuele stresstest

Via het BOSA-meldpunt van het RVVB kwamen inmiddels meldingen van 420 verenigingen binnen. Clubs lopen aan tegen onzekerheid, de uitvoering van de regeling en de gevolgen van de loting. Veel verenigingen namen investeringsbesluiten met grote financiële consequenties.

Olfers ziet dat ook NOC*NSF en sportbonden, net als het RVVB de gevolgen nauwgezet volgen. Voor haar past BOSA in een bredere vraag: kan een vereniging bouwen op een betrouwbare overheid als regelingen veranderen of anders uitpakken dan verwacht?

Voor vrijwillige bestuurders kan zo’n dossier zwaar wegen. ‘Wat je ziet, is dat verenigingen besluiten nemen over verduurzaming, renovatie of uitbreiding van accommodaties, maar tegelijk de verantwoordelijkheid dragen richting leden, financiers en leveranciers,’ zegt Olfers. ‘Als een subsidie wegvalt, komt niet alleen je project onder druk te staan. Ook het vertrouwen in regelingen en instituties loopt schade op.’

Daarmee raakt BOSA aan een fundamentelere kwestie. Sportverenigingen voeren vaak publieke of maatschappelijke taken uit, maar dragen de risico’s veelal zelf. ‘Dat vraagt om meer aandacht voor de positie van bestuurders en de betrouwbaarheid van beleid.’

Ombudsfunctie: laagdrempelig, helder en met slagkracht

Ook de mogelijke ombudsfunctie voor sportverenigingen kwam ter sprake. In de Tweede Kamer is de motie-Mohandis aangenomen, met de oproep om te komen tot een laagdrempelige plek waar verenigingsbestuurders terechtkunnen met vragen, meldingen en knelpunten.

Olfers ziet de behoefte aan ondersteuning, juist door de toenemende regeldruk rond verenigingen. Volgens haar kan een laagdrempelig loket waardevol zijn, mits vooraf duidelijk is welke taak het krijgt.

‘Waar de behoefte is: hoe kun je laagdrempelig eigenlijk een soort loket hebben voor allerlei vragen, gelet op de regeldruk die er is. Daar is helemaal niks mis mee.’

Daarmee sluit zij aan bij de gedachte achter de motie: bestuurders moeten ergens terechtkunnen voordat problemen verder escaleren. Tegelijk vraagt zo’n voorziening volgens Olfers om een scherpe en onafhankelijke invulling. ‘Een ombudsfunctie moet niet alleen bestaan op papier, maar ook duidelijk maken wat zij doet voor verenigingen,’ zegt Olfers. ’Dan krijg je de vervolgvraag: hoe gaat het eruitzien, wat gaan ze doen, en heb je dan bijvoorbeeld ook slagkracht en een mandaat?’

Die slagkracht is volgens Olfers vooral belangrijk bij complexe dossiers. Veel knelpunten van verenigingen spelen lokaal: rond accommodaties, verhuizing, fusie, opschaling, bestemmingsplannen of gesprekken met gemeenten. Zulke trajecten vragen meer dan alleen een luisterend oor.

Achter een vastgelopen gesprek met de gemeente kan een hele keten aan vragen schuilgaan: over afspraken, verantwoordelijkheden, financiën en de positie van bestuurders. ‘’Bij zulke ingewikkelde trajecten rond bijvoorbeeld een nieuwe accommodatie, of een verplichte fusie, komt heel veel kijken.’

Voor het RVVB is daarbij ook de onafhankelijkheid van belang. Verenigingsbestuurders moeten vertrouwen voelen dat hun melding of vraag serieus, veilig en zonder belangenverstrengeling bekeken wordt.

Olfers benoemt daarbij de kernvraag: waar komt zo’n functie te hangen en welke positie krijgt die ten opzichte van sportsector, gemeenten en andere betrokken partijen? ‘De vraag is: komt die te hangen onder de sport? Of komt dit te hangen onder de gemeente?’

Volgens Olfers ligt de uitdaging dus niet bij het erkennen van het probleem, maar bij de uitwerking. Een ombudsfunctie kan verenigingsbestuurders helpen, zeker als zij laagdrempelig werkt, patronen zichtbaar maakt en ook richting gemeenten of andere partijen iets kan betekenen.

Juist daarom speelt onafhankelijkheid een centrale rol. ‘Verenigingsbestuurders moeten erop kunnen vertrouwen dat hun vraag of melding niet terechtkomt bij een partij die zelf onderdeel is van het probleem of belang heeft bij de uitkomst,’ zegt Olfers.

Zonder duidelijke opdracht en invloed dreigt zo’n voorziening te weinig verschil te maken.

Meer dan goede bedoelingen

De boodschap past bij de bredere lijn van het gesprek: sportverenigingen leveren grote maatschappelijke waarde, maar vrijwillige bestuurders staan steeds vaker voor ingewikkelde bestuurlijke, juridische en financiële dossiers.

‘Juist daarom vraagt ondersteuning om meer dan goede bedoelingen. Ze moet praktisch bereikbaar zijn, onafhankelijk genoeg om vertrouwen te geven en stevig genoeg om daadwerkelijk iets in beweging te zetten,’ sluit Olfers af.