Jarenlang lag LTC Strandvliet op een vertrouwde, maar steeds minder vanzelfsprekende plek in Amsterdam-Zuidoost. De vereniging ontstond in 1977, toen het gebied rond de huidige Johan Cruijff Arena nog uit weilanden bestond. Decennialang bleef de tennisclub redelijk stabiel: zes gravelbanen, ongeveer driehonderd leden en een hechte verenigingscultuur. Een verhuizing naar het Gaasperpark, verderop in Zuidoost, gaf de club de kans om zichzelf opnieuw uit te vinden als Tennis & Padel Club Gaasperpark.
Het resultaat oogt als een succesverhaal. De vereniging groeide van ongeveer 250 leden rond de verhuizing naar circa 850 leden, met inmiddels een wachtlijst van zo’n 200 mensen. Padel bracht nieuwe doelgroepen naar het park, tennis bleef onderdeel van de identiteit en de club kreeg een sterkere positie in de buurt.
Maar achter dat succes schuilt ook een bredere vraag voor de sport. Want juist nu de vereniging verder wil investeren, loopt zij aan tegen de kwetsbaarheid van het huidige financieringssysteem. BOSA, gemeentelijke subsidies, borgstelling via Stichting Waarborgfonds Sport en bankfinanciering grijpen in elkaar. Valt één schakel weg, dan kan een complete businesscase onder druk komen te staan.
Voor voorzitter Duncan Waardenburg raakt dat direct aan de positie van vrijwilligersbesturen. “Het lastige is niet dat we geen verantwoordelijkheid willen nemen. Integendeel. De businesscase voor uitbreiding is gezond en als club zijn we bereid daarin zelf te investeren. Maar je wilt als vereniging niet volledig afhankelijk zijn van de overheid. In de praktijk ben je voor dit soort investeringen toch aangewezen op een combinatie van bankleningen, borgstellingen en subsidieregelingen. Als die regelingen onzeker worden, blijven er weinig betaalbare alternatieven over.”
Van bedrijventerrein naar park in de wijk
Onder de naam De Nieuwe Kern verrijst een nieuw stadsdeel in Amsterdam-Zuidoost en de gemeente Ouder-Amstel. Voor de tennisclub betekende dat het einde van een tijdperk. Maar Waardenburg zag ook een kans. Niet alleen om te verhuizen, maar om de vereniging opnieuw uit te vinden. “Strandvliet lag uiteindelijk helemaal op een bedrijventerrein,” zegt hij. “We zagen de verhuizing als een kans om naar een mooi nieuw park te gaan, meer in de buurt van bewoners.”
De nieuwe locatie Gaasperpark bleek strategisch sterk. Het park ligt naast een metrohalte, is goed bereikbaar per fiets en ligt tussen Amsterdam, Driemond, Diemen, Weesp en Muiden. Binnen een kleine straal wonen bijna honderdduizend mensen. Ook de inrichting voelt anders dan op veel sportparken. “Het is geen normaal sportpark,” zegt Waardenburg. “Het is een langgerekt stadspark waar toevallig onze tennis- en padelbanen in liggen.”
BOSA maakte direct stevig investeren mogelijk
De verhuizing lukte mede doordat verschillende regelingen samenkwamen. De vereniging huurde het oude park, maar kreeg vanuit de gebiedsontwikkeling een schadeloosstelling voor het vertrek van de oude locatie. Daarnaast maakten de BOSA-regeling en de Amsterdamse eenderde-regeling voor sportaccommodaties het mogelijk om meteen een volwaardig park neer te zetten. “Zonder BOSA was het misschien ook gelukt,” zegt Waardenburg. “Maar dan hadden we waarschijnlijk minder banen aangelegd. Dankzij die regelingen konden we direct uitpakken met zes tennisbanen, vier padelbanen en een clubhuis.”
Voor een sportvereniging gaat het dan niet om een klein steuntje in de rug, maar om bedragen die bepalen hoe groot, compleet en toekomstbestendig een accommodatie kan zijn. “Dat zijn zo twee tennisbanen,” zegt Waardenburg over het financiële effect.
Jarenlang gold BOSA als een stabiele pijler onder sportinvesteringen. Verenigingen konden daardoor plannen maken voor banen, clubhuizen, verduurzaming en uitbreiding. Nu de regeling minder voorspelbaar is, stellen verenigingen investeringsbesluiten eerder uit of kiezen zij voor een kleiner plan. Ook bij TPC Gaasperpark speelt die onzekerheid mee.
Bij een nieuwe uitbreiding ziet TPC Gaasperpark dat nu opnieuw. De club wil extra padelbanen aanleggen en onderzoekt mogelijkheden voor winterfaciliteiten. De vraag is groot, de wachtlijst lang en de businesscase logisch. Toch blijkt de financiering ingewikkeld. “Als je vier nieuwe padelbanen aanlegt, weet je zeker dat daar nieuwe leden op afkomen,” zegt Waardenburg. “Maar een bank leent dat geld niet zomaar aan een vereniging. Wij huren de grond van de gemeente en kunnen de banen niet als onderpand aanbieden. Daardoor kom je automatisch uit bij subsidies en borgstellingen.”
Als één schakel ontbreekt, valt het plan stil
Voor veel verenigingen bestaat de financiering van een groot accommodatieproject uit meerdere onderdelen: eigen middelen, een BOSA-bijdrage, gemeentelijke subsidie, vergunningen, een banklening en vaak een borgstelling via Stichting Waarborgfonds Sport. Al die puzzelstukjes moeten op het juiste moment in elkaar vallen.
Daar zit volgens Waardenburg de kwetsbaarheid. Wanneer een subsidieregeling onzeker is of een gemeentelijke regeling snel uitgeput raakt, kan een plan vertraging oplopen of zelfs stilvallen. Zonder duidelijkheid over subsidies en gemeentelijke steun ontstaat voor een vrijwilligersbestuur al snel een lastig financieel risico. “Je trekt één kaart uit het kaartenhuis en de hele businesscase valt onderuit,” zegt Waardenburg. “Wij willen helemaal niet per se subsidiegeld. Het liefst zijn we als vereniging niet afhankelijk van de overheid. Maar in de praktijk ben je voor dit soort investeringen toch aangewezen op een combinatie van bankleningen, borgstellingen en subsidieregelingen.”
Stichting Waarborgfonds Sport herkent de bredere financieringsopgave, maar nuanceert dat de onzekerheid rond subsidies van een andere orde is dan de onzekerheid rond borgstelling. SWS werkt met het overgrote deel van de gemeenten samen. Als de businesscase haalbaar is en de gemeente meedoet, hoeft borgstelling volgens SWS geen struikelblok te zijn en kan ook een banklening mogelijk worden.
Juist daarom pleit SWS al langere tijd voor een structurelere oplossing: een revolverend fonds voor sportverenigingen. Via zo’n fonds kunnen clubs tegen relatief gunstige voorwaarden lenen. Terugbetaalde middelen vloeien opnieuw terug in het fonds, waardoor hetzelfde geld vaker kan worden ingezet voor investeringen in clubhuizen, banen, velden, kleedkamers en verduurzaming.
Voor Waardenburg blijft de praktijk ondertussen complex. Een vereniging maakt al kosten voor onderzoeken, vergunningen en voorbereidingen, terwijl nog onzeker is of alle financiering uiteindelijk rondkomt. “Wij kregen al kosten voor bodemonderzoek en sonderingen, terwijl je nog niet weet of het hele project doorgaat,” zegt hij. “Dat maakt het risicoprofiel voor een vereniging groter.”
Vrijwilligersbestuur als projectorganisatie
Waardenburg was al voorzitter op de oude locatie. Als jonge bestuurder maakte hij het hele traject mee: van eerste gesprekken over verplaatsing tot de opening van het nieuwe tennis- en padelpark in het Gaasperpark. De verhuizing verliep relatief soepel, maar bleef een groot project met veel partijen, technische keuzes, financiële afwegingen en bestuurlijke druk.
“We deden het met een klein clubje. Drie bestuursleden trokken de verhuizing. Dat was veel en pittig, maar ook leuk en interessant.”
Hij kijkt met trots terug op het resultaat, maar benadrukt tegelijk hoeveel druk zo’n ontwikkeling legt op vrijwilligers. “Tweeënhalf jaar lang voelde het als een tweede baan. Vooral ’s avonds en ’s nachts. Tegelijk werk je met partijen voor wie dit hun dagelijkse werk is: gemeente, aannemers, adviseurs. Zij verwachten dat je gewoon mee kunt in dat tempo.”
Zo’n traject kan een uitputtingsslag worden. “Je moet steeds het einddoel voor ogen houden. Tegelijk vraagt het als vrijwilliger wel uithoudingsvermogen dat soms niet gezond en niet duurzaam is. Achteraf dacht ik weleens: wanneer deed ik dit allemaal, met een jong gezin, kleine kinderen en een drukke baan?”
Groei door padel, maar lokale binding blijft opdracht
De verhuizing gaf de vereniging ruimte om te groeien. Van de ongeveer 250 leden rond de verhuizing verhuisden er circa 200 mee naar de nieuwe locatie. Inmiddels telt TPC Gaasperpark ongeveer 850 leden en staat er een wachtlijst van zo’n 200 mensen.
De groei komt vooral door padel. “Bij tennis is nog ruimte voor nieuwe leden,” zegt Waardenburg. “Daar zie je dat veel mensen uit de omliggende wijken bij een club dichter bij huis spelen. Bij padel is het anders. Er is een groot tekort aan padel in verenigingsverband in Amsterdam.”
De padelbanen trekken spelers uit een veel groter gebied dan de tennisbanen. Bij tennis komt een groot deel van de leden uit de buurt; bij padel ligt dat aandeel lager. Bij toekomstige uitbreiding wil de club daarom sterker sturen op lokale binding, bijvoorbeeld via voorrang voor mensen uit de directe omgeving.
“We willen niet alleen meer banen bouwen,” zegt Waardenburg. “We willen een plek zijn waar bewoners uit Zuidoost elkaar ontmoeten, sporten en zich thuis voelen.”
Die ambitie krijgt op verschillende manieren vorm. De club werkt samen met kunstenaars uit de buurt, verlaagde de jeugdcontributie fors, zoekt samenwerking met maatschappelijke organisaties zoals het COA en startte meerdere projecten rond stadslandbouw op en rond het park.
Betaalbaarheid hoort bij de wijk
De verhuizing bracht niet alleen nieuwe banen, maar ook een andere ledenopbouw. Waar Strandvliet relatief veel jeugd en oudere tennissers kende, trekt padel vooral de groep tussen 18 en 45 jaar. Die doelgroep zorgt voor energie, maar soms ook voor een andere houding richting de vereniging. “Een deel komt meer als consument binnen. Tegelijk staan daar ook weer sterke nieuwe vrijwilligers tegenover. Het is een mix.”
De club probeert bewust iets van het oude Strandvliet vast te houden: laagdrempelig, informeel en met een beetje houtje-touwtje-charme. De prijzen blijven bewust laag. Leden draaien bardiensten, zodat de vereniging betaalbaar en van iedereen blijft. “We willen voorlopig niet afwijken van die bardiensten,” zegt Waardenburg. “Zo houden we het betaalbaar én houden we het verenigingsgevoel vast.”
Dat betaalbare karakter past volgens hem ook bij de omgeving waarin de club nu staat. Zuidoost is een groot en divers stadsdeel, met veel verschillende achtergronden en inkomens. Juist daarom wil TPC Gaasperpark de contributie niet te hard laten stijgen. Groei en vernieuwing mogen niet betekenen dat de vereniging minder toegankelijk raakt voor mensen uit de buurt.
Dat maakt de financieringsvraag extra scherp. Een vereniging kan investeringen niet onbeperkt doorberekenen aan leden, zeker niet wanneer zij juist toegankelijk wil blijven voor de wijk.
Ondersteuning hielp het bestuur koers houden
Ondersteuning vanuit de KNLTB hielp het bestuur om koers te houden in een technisch en financieel ingewikkeld traject. “Zonder die hulp konden we dit niet bolwerken,” zegt Waardenburg. “Zij hielpen ons echt veel tijdens het hele traject.”
De verhuizing laat zien wat er mogelijk is als vereniging, gemeente en bond elkaar vinden. De gemeente Amsterdam dacht in de verhuisfase actief mee over de nieuwe locatie, de KNLTB bracht expertise in en het bestuur hield de vereniging bij elkaar. Zo groeide een club die jarenlang rond de driehonderd leden telde uit tot een bloeiende tennis- en padelvereniging met 850 leden, een wachtlijst en een sterke positie in een gebied met veel potentie.
Tegelijk laat de volgende fase zien waar het voor veel sportverenigingen wringt. De behoefte aan uitbreiding is duidelijk. De leden staan klaar. De maatschappelijke waarde ligt voor de hand. Toch kan een plan vastlopen door de samenloop van subsidieplafonds, gemeentelijke besluitvorming, vergunningen en beperkte toegang tot bankfinanciering.
Daarmee staat Gaasperpark niet op zichzelf. Veel verenigingen willen investeren in groei, verduurzaming, renovatie of nieuwe sportvormen. Maar juist vrijwilligersbesturen dragen het risico, terwijl zij afhankelijk zijn van regelingen en processen die niet altijd voorspelbaar zijn.
“Het systeem loopt een beetje vast,” zegt Waardenburg. “Er zijn veel verenigingen die tegelijk accommodaties willen vervangen of uitbreiden. Als regelingen dan onzeker zijn, wordt het voor vrijwilligersbesturen heel moeilijk om door te pakken.”
Als verenigingen willen investeren, moet het systeem meebewegen
Het verhaal van TPC Gaasperpark laat zien wat er mogelijk is als een vereniging ruimte krijgt om vooruit te kijken. Een oude tennisclub kreeg een nieuwe toekomst, padel bracht nieuwe doelgroepen naar het park en de vereniging kreeg een sterkere plek in Amsterdam-Zuidoost.
Maar het verhaal laat ook zien hoe kwetsbaar zulke trajecten blijven. Vrijwilligersbesturen dragen veel verantwoordelijkheid, terwijl financiering vaak bestaat uit een stapeling van subsidies, gemeentelijke besluiten, borgstelling en bankleningen.
Voor politiek, gemeenten en sportorganisaties ligt daar de belangrijkste opdracht. Wie sportverenigingen vraagt om te investeren in toekomstbestendige accommodaties, moet ook zorgen voor duidelijke processen en voorspelbare financiering. Een revolverend fonds kan daarbij een structurele oplossing bieden: lage rentes, minder risico voor banken en middelen die opnieuw beschikbaar komen voor volgende verenigingen.
“Als ik nu over het park loop, denk ik nog steeds: dit hebben we mooi voor elkaar gekregen,” zegt Waardenburg. “Maar je ziet ook hoe kwetsbaar zo’n traject is. Voor vrijwilligersbesturen moet het eenvoudiger en voorspelbaarder.”

