Skip links

Wouter Bos: ‘De waarde van sport wordt gezien, maar financiële ruimte blijft ongelooflijk moeilijk’

Sportverenigingen leveren een grote maatschappelijke bijdrage. Ze brengen mensen in beweging, zorgen voor ontmoeting, stimuleren vrijwilligerswerk en dragen bij aan gezondheid en sociale samenhang. Die waarde krijgt steeds meer aandacht, maar de stap naar structurele financiële steun blijft lastig. Dat zegt Wouter Bos in gesprek met het RVVB.

Bos spreekt vanuit verschillende invalshoeken over sport. Hij is bestuursvoorzitter van Coöperatie Menzis, oud-politicus en voorzitter van de Raad van Toezicht van de KNWU. Juist die combinatie maakt zijn blik interessant. Hij ziet de maatschappelijke waarde van sportverenigingen, maar wijst ook op de grenzen van zorgverzekeraars en de manier waarop overheid en financiering zijn ingericht.

Cijfers helpen om waarde zichtbaar te maken

Het RVVB sprak met Bos naar aanleiding van het impactrapport over de maatschappelijke waarde van sportverenigingen. De waarde van sportverenigingen is volgens hem op zichzelf niet nieuw, maar de poging om daar cijfers aan te verbinden vindt hij zeer relevant.

“Dat we er nu cijfers aan gaan hangen, is wel nieuw aan deze benadering,” zegt Bos over het Impactrapport. “De uitkomsten laten zien dat het om een aanzienlijke waarde gaat. Dat is een heldere boodschap uit het rapport.”

Volgens Bos past die boodschap in een bredere maatschappelijke discussie. Sportverenigingen brengen mensen bij elkaar op een moment waarop groepen in de samenleving steeds vaker langs elkaar heen leven.

“Ik heb mijn hele leven zelf gesport en ben qua nevenfuncties actief in de sport,” zegt hij. “Dus ik snap de sociale en verbindende waarde van sport goed. Dat is altijd zo geweest. En in tijden waarin de samenleving uit elkaar valt, misschien nog wel meer.”

Sport raakt meer dan sport alleen

Tijdens het commissiedebat Sportbeleid in de Tweede Kamer kwam opnieuw naar voren dat sport niet alleen over sport gaat. Sport raakt aan zorg, onderwijs, ruimte, vrijwilligerswerk, jeugd en leefbaarheid. De wens om sport breder op de agenda te krijgen, herkent Bos. Tegelijk plaatst hij daar een realistische kanttekening bij.

“Die wens is natuurlijk niet nieuw,” zegt hij. “Ik werk zelf in de zorg en daar is aandacht voor sport vanzelfsprekend. Maar dat is iets anders dan dat je er ook financieel ruimte voor vrijmaakt.”

Ook in het onderwijs wordt al lang discussie gevoerd over de betekenis van sport, stelt Bos. Hij noemt discussies over meer zwemles en bewegingsonderwijs als voorbeelden. Bij vrijwilligerswerk komt sport eveneens snel in beeld. “Sport komt echt wel op al die terreinen terug en de waarde wordt ook wel gezien,” zegt hij. “Maar dat is wel iets anders dan dat je daar ook financiële ruimte voor vrijmaakt.”

Daar zit volgens Bos een belangrijk probleem. De budgethouder voor sport zit bij VWS. Andere ministeries zullen niet snel eigen middelen vrijmaken voor sport, ook al draagt sport bij aan doelen op hun beleidsterrein. Binnen de VWS-begroting vormt sport bovendien maar een klein onderdeel. “Het blijft veel geld,” zegt Bos, “maar de wens dat het meer zou moeten zijn, begrijp ik heel goed.”

Zorgverzekeraars lopen tegen grenzen aan

In het gesprek kwam ook de vraag op of zorgverzekeraars meer kunnen betekenen voor sportverenigingen. De gedachte ligt voor de hand: sport en bewegen kunnen bijdragen aan gezondheid en preventie. Toch ziet Bos daar duidelijke grenzen.

“Als zorgverzekeraar zijn wij vooral verantwoordelijk voor het vergoeden van wettelijk verzekerde zorg,” zegt hij. “Investeren in gezondheid kan soms wel, maar dat blijft in het algemeen bij kleine beetjes. Dat is eigenlijk niet onze wettelijke taak.”

Daar komt volgens Bos nog een economische prikkel bij. Een zorgverzekeraar die geld inzet om de premie laag te houden, trekt sneller nieuwe verzekerden dan een verzekeraar die investeert in sportverenigingen of gezondheid. “Die prikkel bevordert niet dat zorgverzekeraars publieke of semi-publieke verantwoordelijkheden nemen,” zegt hij.

Ook preventie levert niet automatisch lagere zorgkosten op. Bos wijst erop dat daar veel onderzoek naar bestaat. Preventie kan mensen gezonder houden en langer laten leven, maar langer leven betekent helaas ook langer zorgkosten “Een ander probleem met preventie is dat degene die de kosten maakt niet per se degene is die ook de baten ontvangt,” zegt hij.

Voor sport komt daar nog iets bij. Sport draagt in algemene zin bij aan gezondheid en welzijn. Bos noemt het daarom een terrein met plussen en minnen. Zijn conclusie is niet dat zorgverzekeraars geen rol kunnen spelen, maar wel dat grote verwachtingen snel botsen met wettelijke taken, financiële prikkels en de praktijk van het zorgstelsel.

KNWU brengt maatschappelijke waarde lokaal onder de aandacht

Vanuit zijn rol bij de KNWU ziet Bos hoe sportbonden en verenigingen hun maatschappelijke waarde bij gemeenten en provincies onder de aandacht brengen. Voor de wielersport gaat het niet alleen om wedstrijden en topsport, maar ook om jeugd, fietsplezier, veiligheid en gemeenschapsvorming.

“Het stimuleren van fietsen en het stimuleren dat kinderen lid worden van een vereniging, is een speerpunt,” zegt Bos. “Dat ze daar elkaar ontmoeten en samen dingen doen.”

Natuurlijk hoopt de KNWU dat daar af en toe nieuw toptalent, als Mathieu van der Poel, uit voortkomt. Maar de waarde ligt breder. Ook kinderen die nooit de top halen, kunnen veel plezier beleven aan de sport, veiliger verkeersdeelnemer worden en meedoen binnen een vereniging.

Bij gemeenten speelt die bredere waarde ook een rol. Als een gemeente financieel of organisatorisch betrokken raakt bij een kampioenschap, komt volgens Bos vaak de vraag op wat zo’n evenement betekent voor inwoners die zelf geen wedstrijdrenner zijn. “Dan ontwikkelen we daar ook activiteiten voor,” zegt hij.

Regels maken organiseren steeds moeilijker

Tegelijk ziet Bos dat sportverenigingen en bonden tegen steeds meer regels aanlopen. In de wielersport speelt dat sterk bij evenementen op de openbare weg. Vergunningen, stikstofregels en bezwaren van andere partijen maken het organiseren van wegwedstrijden ingewikkelder.

“Het is steeds moeilijker om een wielerevenement of wielerkampioenschap te organiseren op de openbare weg,” zegt Bos. “Er zijn steeds meer vergunningen nodig en er komen ook steeds meer regels van andere partijen die daar bezwaar tegen aantekenen. Dat is best ingewikkeld.”

Bij gravelwedstrijden, mountainbikeparcoursen, veldrijden en wedstrijden op clubparcoursen speelt dit probleem minder. Toch blijft de openbare weg belangrijk voor het wegwielrennen. Juist daar voelen verenigingen en organisatoren de regeldruk in de praktijk.

Bos steunt daarom de oproep om kritisch te kijken naar onnodige regelgeving. Niet omdat regels nooit nodig zijn, maar omdat verenigingen en organisatoren anders vastlopen in procedures, vergunningen en onzekerheid.

Waarde erkennen is niet genoeg

Het gesprek met Bos laat zien dat de maatschappelijke waarde van sportverenigingen breed wordt herkend. Sport raakt aan gezondheid, ontmoeting, jeugd, vrijwilligerswerk en leefbaarheid. Tegelijk blijft het moeilijk om die waarde om te zetten in structurele steun.

Voor het RVVB ligt daar een belangrijke opdracht. Het zichtbaar maken van de waarde van sportverenigingen is nodig, maar niet voldoende. De volgende stap ligt bij de vertaling naar beleid, financiering en uitvoerbare afspraken. Daarbij moet steeds duidelijk blijven wat verenigingen kunnen bijdragen, maar ook wat zij nodig hebben om die rol waar te maken.

Juist die balans kwam in het gesprek met Bos scherp naar voren. Sportverenigingen dragen veel bij aan de samenleving, maar die bijdrage vraagt wel om voldoende ruimte, passende ondersteuning en minder onnodige regels.