Skip links

Erik van der Maas: ‘Maak het leven van verenigingsbestuurders eenvoudiger’

Sportverenigingen moeten kunnen rekenen op voorspelbare financiering, minder regels en praktische ondersteuning als ze vastlopen. VVD-Kamerlid Erik van der Maas wil de komende jaren stappen zetten om het werk van verenigingsbestuurders eenvoudiger te maken.

Van der Maas kijkt met enige frustratie terug op het commissiedebat over sport vlak voor het zomerreces. Niet alleen werden volgens hem verschillende onderwerpen vooruitgeschoven, ook de beperkte spreektijd maakte het lastig om alle signalen uit de sport mee te nemen. ‘Je hebt vier minuten, terwijl je veel meer wilt zeggen. Je hebt veel meer opgehaald dan je kwijt kunt. Dan moet je keuzes maken.’

Dat maakt volgens hem ook samenwerking in de Kamer belangrijk. De verschillen tussen partijen op sport zijn volgens Van der Maas vaak niet onoverbrugbaar. ‘Iedereen vindt sport super belangrijk. Alleen: hoe ga je het doen?’

In het gesprek kwam ook de continuïteit op het ministerie aan bod. Na de vele wisselingen van de afgelopen jaren ziet Van der Maas er het belang van in dat een bewindspersoon langere tijd op het dossier kan blijven. ‘Dan kun je wat doorpakken. Dan krijg je wat consistentie en kun je iemand ook ergens aan houden.’

Juist daarom vindt hij het belangrijk dat de komende periode concrete stappen volgen. De Sportwet, de financiering van verenigingen, regeldruk en ondersteuning van vrijwilligers zijn daarbij nauw met elkaar verbonden.

Geen Sportwet om de wet

Over een mogelijke Sportwet is Van der Maas duidelijk: het bestaan van een wet is voor hem geen doel op zichzelf. ‘Het gaat mij erom wat er in die Sportwet komt en niet dat er een wet moet komen.’

Een wet kan volgens hem waarde toevoegen als sport daardoor  megewogen wordt bij bijvoorbeeld woningbouw, ruimtelijke ordening en preventie. Tegelijk waarschuwt hij voor nieuwe verplichtingen en bureaucratie. ‘Als je alleen nieuwe regels of verplichtingen voor gemeenten en verenigingen brengt, ben ik er niet voor. Het moet zich richten op sterke verenigingen.’

Daarbij noemt hij voldoende ruimte voor sport, goede accommodaties, minder regels voor vrijwilligers en een financieringssysteem waarop clubs kunnen rekenen. Ook gemeenten dragen volgens Van der Maas een duidelijke verantwoordelijkheid. ‘Sport is een van de belangrijke taken van een gemeente. Het is zo belangrijk voor de sociale cohesie en de cultuur.’

BOSA moet voorspelbaarder

Die structurele benadering geldt volgens Van der Maas ook voor de BOSA-regeling. De problemen rond de regeling kwamen tijdens het commissiedebat uitgebreid aan de orde. Voor verenigingen is vooral voorspelbaarheid belangrijk, stelt hij. ‘Het is niet goed dat sportverenigingen ieder jaar moeten afwachten of er nog geld in de subsidiepot zit.’

Ook het systeem waarbij clubs op één moment massaal een aanvraag proberen in te dienen, waarna technische problemen en onzekerheid volgen, vindt hij niet houdbaar.

‘Het moet in ieder geval beter dan het afgelopen jaar ging. En belangrijk is dat het eenvoudiger wordt. De tijd en moeite die verenigingen erin steken, is enorm.’

Van der Maas wil daarbij breder kijken dan alleen subsidies. Investeringen in bijvoorbeeld verduurzaming kunnen zich deels terugverdienen. Voor zulke projecten kan een revolverend fonds interessant zijn. Maar één oplossing voor alle verenigingen ziet hij niet. Juist kleine clubs beschikken lang niet altijd over voldoende financiële ruimte om een lening terug te betalen. Daarom denkt hij eerder aan een combinatie van instrumenten.

‘Je zou subsidie en een revolverend fonds kunnen combineren. Voor kleine verenigingen moet je kijken wat realistisch is.’

De financiering van zo’n fonds blijft daarbij een belangrijke vraag. ‘Dekking, dekking, dekking’, vat Van der Maas het samen.

De waarde van de vereniging

Voor Van der Maas begint sportbeleid uiteindelijk bij de maatschappelijke waarde van de vereniging. Sport draagt volgens hem bij aan welzijn, gezondheid, sociale cohesie en mentale gezondheid. Maar ook de relatie tussen vereniging en vrijwilliger werkt twee kanten op. ‘Vrijwilligers zijn belangrijk voor de club, maar de club is ook belangrijk voor de vrijwilligers.’

Hij kent die praktijk zelf. Van der Maas was voorzitter van een tennisvereniging en weet hoeveel tijd vrijwilligers in hun club steken. ‘Je doet het voor de club, maar het is ook leuk om eraan bij te dragen. Dat werk doet ertoe.’

Juist daar ziet hij een groeiend probleem. Van vrijwillige bestuurders vraagt de samenleving inmiddels kennis op steeds meer terreinen. ‘Die mensen staan daar allemaal vanuit gedrevenheid, naast hun werk. Maar op dit moment zijn die vrijwilligers jurist, bestuurder en subsidie-expert. Ze moeten verstand hebben van privacy, verduurzaming en zonnepanelen en ondertussen ook nog allerlei zaken bij de Kamer van Koophandel regelen.’

Volgens Van der Maas dreigt vrijwilligerswerk daardoor steeds meer op een parttime baan te lijken.

Regel voor regel kijken wat weg kan

Minder regeldruk is daarom een van zijn belangrijkste speerpunten. Alleen constateren dat vrijwilligers last ervaren van regels vindt hij niet meer voldoende. ‘We moeten echt gaan kijken: regel voor regel, wat kan weg?’

Hij noemt een eenvoudiger subsidieloket, het niet telkens opnieuw hoeven aanleveren van dezelfde gegevens en makkelijkere vergunningprocedures. Vooral verenigingen die jaarlijks hetzelfde evenement organiseren, zouden volgens hem meer vertrouwen van de overheid mogen krijgen.

Als voorbeeld noemt hij een soort ‘vertrouwensvergunning’. Een vereniging die jarenlang zonder problemen een evenement organiseert, hoeft dan niet jaarlijks dezelfde procedure te doorlopen. ‘Geef zo’n vergunning bijvoorbeeld voor drie jaar. Negen van de tien verenigingen houden zich gewoon aan de regels.’

Daar kan volgens hem ook een duidelijke verantwoordelijkheid tegenover staan: veel vertrouwen zolang een vereniging zich aan de afspraken houdt, maar stevig optreden als dat vertrouwen bewust wordt geschonden.

Meer partijen rond dezelfde tafel

Van der Maas wil daarnaast verder kijken naar publiek-private samenwerking. Tijdens het commissiedebat noemde hij al dat de financiering van sport niet uitsluitend bij de overheid hoeft te liggen.

Gemeenten, sportbonden, werkgevers, verzekeraars en financiers zouden volgens hem veel vaker gezamenlijk naar sport en bewegen moeten kijken.

Dat sluit aan op de discussie over preventie. Zorgverzekeraars wijzen erop dat meer preventie niet automatisch tot lagere totale zorgkosten leidt. Mensen leven mogelijk langer en zorgkosten verschuiven daardoor naar een later moment in het leven.

Voor Van der Maas doet dat niets af aan de gezondheidswinst van sport. ‘We weten allemaal dat als je beweegt en sport, je gezondheidswinst hebt. Degene die investeert in sport en bewegen is alleen niet altijd degene die financieel profiteert van die gezondheidswinst.’

Precies daar ziet hij ruimte om partijen bij elkaar te brengen. Ook werkgevers profiteren bijvoorbeeld van gezonde medewerkers. Van der Maas wil gemeenten, sportbonden, werkgevers, verzekeraars en financiers vaker bij elkaar aan tafel brengen, omdat zij volgens hem allemaal belang hebben bij een gezonde en actieve samenleving.

‘Je moet naast de club staan’

Als Van der Maas één prioriteit voor de komende jaren moet noemen, komt hij opnieuw uit bij de vrijwilliger en verenigingsbestuurder. ‘Sport wordt gemaakt door de verenigingen, de bestuurders, de vrijwilligers en uiteraard de sporters. We moeten die mensen zoveel mogelijk ruimte geven om te doen waar ze goed in zijn.’

Daar hoort volgens hem niet alleen minder regeldruk en voorspelbare financiering bij, maar ook een plek waar verenigingen terechtkunnen wanneer ze vastlopen. Van der Maas noemt daarbij de ombudsfunctie voor sportverenigingen.

Die functie moet volgens hem onafhankelijk zijn. Zeker wanneer een vereniging vastloopt bij bijvoorbeeld een gemeente of sportbond, moet ze terechtkunnen bij een partij die niet zelf onderdeel is van het conflict. ‘Als je echt in de problemen komt, moet je je ergens kunnen beroepen.’

Tegelijk waarschuwt hij ervoor om van de ombudsfunctie een zware juridische instelling te maken. ‘Het moet makkelijk benaderbaar en laagdrempelig zijn. Maar het moet niet zorgen voor extra regeldruk of bureaucratie.’

Juist praktische ondersteuning moet volgens hem centraal staan: adviseren, begeleiden, naast de vereniging gaan staan en proberen een oplossing te vinden voordat een conflict verder escaleert.

En uiteindelijk, zegt hij, gaat het om iets heel eenvoudigs: ‘Je moet zo’n club uit de problemen helpen.’