Skip links

RVVB: voorjaarsbrief erkent sportverenigingen, maar blijft te veel in papieren werkelijkheid

Minister Mirjam Sterk van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport erkent in haar voorjaarsbrief aan de Tweede Kamer de grote maatschappelijke waarde van sportverenigingen. Dat is belangrijk. Tegelijkertijd mist het Register voor Verenigingsbestuurders in de brief de dagelijkse praktijk van vrijwillige bestuurders. Verenigingen vragen niet in de eerste plaats om nieuwe tussenlagen, maar om praktische hulp, financiële ruimte en een duidelijk aanspreekpunt wanneer zij vastlopen.

De brief gaat onder meer over de toekomst van de BOSA-regeling, clubondersteuning, de ombudsfunctie voor sportverenigingen en het Landelijk Impactonderzoek Sportverenigingen van het RVVB en de Grote Clubactie. Juist op die punten ziet het RVVB ruimte voor aanscherping.

Verenigingen zoeken mensen, geld en praktische hulp
De minister schrijft dat sportverenigingen te maken krijgen met individualisering, vergrijzing, veranderende sportvoorkeuren, druk op de ruimte, sociale veiligheid, verduurzaming, regelgeving en vergunningen. Daarmee benoemt zij terecht dat steeds meer van verenigingen wordt gevraagd.

Maar uit een recente uitvraag van het RVVB onder 2000 bestuurders en vrijwilligers komt vooral een veel praktischer beeld naar voren. Sportverenigingen zoeken vrijwilligers, nieuwe bestuursleden, betrokken ouders, financiële ruimte en snelle hulp bij regels, subsidies en bestuurstaken. Dat zijn geen abstracte beleidsvragen, maar dagelijkse problemen in de bestuurskamer, langs het veld en in de kantine.

“Sportverenigingen draaien op vrijwilligers. Wanneer het steeds moeilijker wordt om mensen te vinden die verantwoordelijkheid willen nemen, komt de continuïteit van verenigingen onder druk te staan,” zegt Daniël Klijn, directeur-bestuurder van het RVVB.

Clubondersteuning: toets beleid aan de clubpraktijk
In de voorjaarsbrief zet de minister sterk in op sport- en beweegloketten. Volgens NOC*NSF is eind 2026 in 85 tot 90 procent van de gemeenten zo’n loket actief of in ontwikkeling. De minister ziet deze loketten als basis voor betere clubondersteuning.

Het RVVB vindt het positief dat clubondersteuning structureel aandacht krijgt, maar waarschuwt dat ondersteuning niet vooral vanuit het systeem moet worden georganiseerd. De vraag is niet hoeveel loketten, programma’s of overlegstructuren bestaan, maar of verenigingen daar werkelijk sneller en beter mee geholpen zijn.

De praktijk laat zien dat veel bestuurders vooral handjes, geld, kennis en praktische begeleiding nodig hebben. Een vereniging die vastloopt in een subsidieaanvraag, vrijwilligersbeleid, accommodatievraagstuk of financieel probleem zoekt geen nieuwe routekaart door het sportlandschap, maar iemand die concreet helpt.

Daarom moet de verdere uitwerking van clubondersteuning vanaf 2027 nadrukkelijk worden getoetst aan de ervaringen van sportverenigingen zelf. Niet het aanbod van organisaties moet leidend zijn, maar de vraag van de club.

Ombudsfunctie mag niet vooruitgeschoven worden
De Tweede Kamer nam op 3 maart 2026 een motie aan over het borgen van een ombudsfunctie voor sportverenigingen. Die motie roept op om deze functie in samenspraak met NOC*NSF en het RVVB te versterken en voor de toekomst te borgen. Daarbij wordt ook onderkend dat het RVVB in de praktijk al onderdelen van zo’n ombudsfunctie vervult, doordat het signalen van verenigingen opvangt, bundelt en onder de aandacht brengt.

In de voorjaarsbrief schrijft de minister dat uit gesprekken met stakeholders blijkt dat nog geen duidelijke definitie bestaat van wat een ombudsfunctie voor sportverenigingen inhoudt, of deze al bestaat en waar behoefte aan is. Met het RVVB is hierover echter niet gesproken, terwijl het RVVB expliciet in de motie staat genoemd. Het RVVB heeft in een vroeg stadium al bij het ministerie aangegeven samen met NOC*NSF met de motie aan de slag te willen gaan, maar wacht tot op heden op een uitnodiging.

Juist de signalen uit het veld laten zien waarom een ombudsfunctie nodig is. Verenigingen lopen vast tussen gemeenten, bonden, regelingen, accommodaties, vergunningen en landelijke beleidskeuzes. Een onafhankelijke functie kan signalen bundelen, problemen zichtbaar maken en bijdragen aan oplossingen, zodat vrijwillige sportbestuurders sneller en beter geholpen kunnen worden.

Daarbij hoort dat sportverenigingen en hun bestuurders vanaf het begin volwaardig aan tafel zitten. De motie noemt het RVVB niet voor niets expliciet dat zij deze functie min of meer reeds vervuld. Een ombudsfunctie kan alleen werken wanneer zij aansluit op de werkelijkheid van vrijwillige bestuurders en niet pas in een later stadium boven hun hoofden wordt uitgewerkt.

BOSA: betrouwbaarheid is meer dan een portaal
Ook de BOSA-regeling krijgt aandacht in de brief. De minister erkent dat aanvragers door een storing in het aanvraagportaal niet allemaal een gelijke kans kregen. Daarom koos het ministerie voor loting in plaats van behandeling op volgorde van binnenkomst. De minister wil de gebruiksvriendelijkheid van het portaal en de verdeelwijze van het budget tegen het licht houden.

Dat is nodig, maar volgens het RVVB niet voldoende. Voor sportverenigingen draait BOSA niet alleen om techniek of loting. Het gaat om voorspelbaarheid, betrouwbaarheid en financiële zekerheid. Bestuurders nemen beslissingen over onderhoud, verduurzaming, verlichting, velden, kleedkamers en clubhuizen. Dat zijn besluiten met grote gevolgen, vaak genomen door vrijwilligers naast werk, gezin en andere clubtaken.

Wanneer regelingen onduidelijk, overtekend of moeilijk toegankelijk zijn, belandt het risico bij de vereniging. Juist daarom moet de nieuwe aanpak niet alleen kijken naar het aanvraagproces, maar ook naar de vraag of de regeling past bij de praktijk van vrijwillige clubbesturen.

SROI zegt weinig over de dagelijkse praktijk van sportverenigingen
Een belangrijk punt in de voorjaarsbrief is de reactie op het Landelijk Impactonderzoek Sportverenigingen van het RVVB en de Grote Clubactie. De minister schrijft dat de maatschappelijke waarde van sportverenigingen voor haar “onomstotelijk vaststaat” en dat het onderzoek haar beeld bevestigt dat sportverenigingen grote waarde hebben voor Nederland.

Tegelijkertijd plaatst de minister kanttekeningen bij de gebruikte Social Handprint-methode en verwijst zij naar het SROI-cijfer van Kenniscentrum Sport en Bewegen. Maar die vergelijking gaat mank. De SROI zegt iets over sport en bewegen in brede zin, niet specifiek over de maatschappelijke waarde van sportverenigingen. De minister erkent dat zelf ook in haar brief.

Daarmee raakt zij precies aan het punt dat voor sportverenigingen van belang is. Om de waarde van sportverenigingen aan te tonen heb je weinig aan de SROI. Dat is een andere methodiek, met een ander doel. Het cijfer zegt iets over sport en bewegen in brede zin, maar geeft nauwelijks inzicht in wat verenigingen dagelijks doen, welke maatschappelijke rol zij in hun wijk, dorp of stad vervullen en waar vrijwillige bestuurders in de praktijk tegenaan lopen.

Het RVVB wil daarom voorkomen dat de discussie blijft hangen in een vergelijking tussen meetmethoden. De vraag is niet welk instrument beter is, maar welke werkelijkheid zichtbaar wordt gemaakt. De SROI heeft sportverenigingen de afgelopen jaren weinig concreets opgeleverd. Het cijfer heeft de afgelopen 10 jaar niet voorkomen dat clubs vastlopen in regeldruk, stijgende lasten, vrijwilligersproblemen, accommodatievraagstukken en onzekerheid rond subsidies.

Het Impactonderzoek is dan ook niet bedoeld als alternatief voor de SROI. Het brengt juist in beeld welke maatschappelijke waarde verenigingen in hun eigen omgeving creëren, bijvoorbeeld op het gebied van gezondheid, ontmoeting, vrijwilligerswerk, sociale cohesie, participatie, bestaanszekerheid en leefbaarheid. Juist die concrete verenigingspraktijk blijft in brede landelijke cijfers vaak buiten beeld. De Social Handprint-methode maakt die praktijk wel zichtbaar.

Daarbij is het beeld van eenvoudige zelfrapportage onvolledig. De deelnemende verenigingen werkten met een gestandaardiseerd instrument, kregen individuele begeleiding, leverden gegevens aan die op volledigheid zijn gecontroleerd en ontvingen daarna een eigen impactrapportage. Daarmee ging het niet om losse zelfrapportage, maar om een gestructureerd traject binnen een wetenschappelijk gevalideerde methode.

Ook de selectie van de honderd verenigingen gebeurde niet willekeurig. Bij de samenstelling is gestuurd op spreiding en diversiteit, onder meer naar omvang van de vereniging, provincie, type sport, sociaaleconomische context, accommodatiesituatie en ligging ten opzichte van de bebouwde kom.

Volgens het RVVB wordt de waarde van het rapport bovendien vanuit wetenschappelijke hoek herkend door meerdere hoogleraren van verschillende universiteiten, onder wie Kees Boersma van de Vrije Universiteit, Paul van Lange van de Vrije Universiteit en Sarah de Lange van de Universiteit Leiden. Zij benadrukken juist het bredere maatschappelijke belang van sportverenigingen, voorbij alleen gezondheidswinst of sportdeelname. Het RVVB werkt graag mee aan een zorgvuldige verdere duiding van de uitkomsten en aan beleid dat sportverenigingen daadwerkelijk verder helpt.

Erkenning vraagt om vervolg
De voorjaarsbrief van minister Sterk bevat belangrijke erkenning. Sportverenigingen staan nadrukkelijker op de politieke agenda. De maatschappelijke waarde van clubs wordt benoemd. Clubondersteuning krijgt vervolg. De BOSA-problematiek blijft niet onbesproken. De ombudsfunctie komt terug in een concreet voorstel.

Maar erkenning alleen is niet genoeg. De praktijk van sportverenigingen vraagt om beleid dat dichter op de club staat. Vrijwillige bestuurders hebben behoefte aan minder onzekerheid, minder regeldruk, betere ondersteuning en regelingen die aansluiten op de manier waarop verenigingen werkelijk functioneren.

Het RVVB wil daar opbouwend aan bijdragen. Niet door beleid af te wijzen, maar door steeds de vraag te stellen die voor sportverenigingen het belangrijkst is: helpt dit de clubbestuurder morgen echt verder?