Tijdens een rondetafelgesprek van de Tweede Kamer over de staat van de rechtsstaat ging het over de ruimte voor het maatschappelijk middenveld. Verschillende organisaties waarschuwden voor toenemende druk op maatschappelijke organisaties. Namens het Register voor Verenigingsbestuurders bracht Daniel Klijn het perspectief van sportverenigingen in.
Volgens Klijn begint democratische weerbaarheid niet alleen in Den Haag, in wetten of in instituties. Die begint ook op plekken waar mensen elkaar ontmoeten, samenwerken en verantwoordelijkheid nemen. Sportverenigingen zijn zulke plekken.
Het gesprek vond plaats in de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid. Namens de Kamer namen onder anderen Tijs van der Brink (CDA), Renilde Huizenga (D66) en Mikal Tseggai (PRO) deel aan het gesprek. Naast Klijn spraken Rick Lawson, voorzitter van het College voor de Rechten van de Mens, Margreet Plug, directeur-bestuurder van Goede Doelen Nederland, en Joeri Buhrer Tavanier, executive director van het Nederlands Helsinki Comité.
Maatschappelijk middenveld onder druk
De andere sprekers schetsten een breed beeld van het maatschappelijk middenveld. Rick Lawson wees namens het College voor de Rechten van de Mens op het belang van tegenspraak in een democratische rechtsstaat. Eén maatregel lijkt soms beperkt, maar de optelsom van maatregelen kan volgens hem de ruimte voor maatschappelijke organisaties onder druk zetten.
Margreet Plug benadrukte namens Goede Doelen Nederland dat maatschappelijke organisaties burgers de ruimte geven om zich te organiseren, hun stem te laten horen en zich in te zetten voor een maatschappelijk doel. Zij noemde goede doelen, vrijwilligersorganisaties en andere maatschappelijke verbanden een onmisbare derde pijler naast overheid en markt.
Ook Joeri Buhrer Tavanier zag tijdens het gesprek een duidelijke verbinding tussen de verschillende organisaties aan tafel. Hij kende de sportkant van het verhaal naar eigen zeggen minder goed, maar herkende in de bijdrage van Klijn meteen een breder probleem: maatschappelijke organisaties lopen steeds vaker aan tegen administratieve druk en regels die voor grote of professionele organisaties misschien logisch lijken, maar voor kleinere organisaties zwaar kunnen uitpakken.
Buhrer Tavanier wees erop dat het maatschappelijk middenveld in Nederland onder druk staat. Het Nederlands Helsinki Comité ziet dat fundamentele vrijheden, zoals het recht op demonstratie, de vrijheid van meningsuiting en het recht op privacy, vaker onderwerp worden van politieke discussie en nieuwe beperkingen. Ook krijgen organisaties die zich inzetten voor democratie, mensenrechten en het bredere publieke belang volgens hem vaker te maken met stigmatisering en een harder publiek debat.
Juist daarom vond hij de aanwezigheid van sportverenigingen aan tafel waardevol. Het laat zien dat niet alleen mensenrechtenorganisaties of goede doelen, maar ook sportverenigingen vanzelfsprekend onderdeel zijn van hetzelfde maatschappelijk middenveld. Al die organisaties hebben ruimte nodig om mensen bij elkaar te brengen, signalen uit de samenleving op te halen en bij te dragen aan het publieke belang.
Volgens Buhrer Tavanier is het tijd om van analyse naar actie te gaan. Het Nederlands Helsinki Comité pleit daarom voor een nationaal actieplan dat het maatschappelijk middenveld beschermt en versterkt, met meer ruimte voor betekenisvolle participatie, duurzame financiering, minder administratieve lasten en betere bescherming van fundamentele vrijheden.
Voor Klijn was dat precies de kern. Sportverenigingen zijn geen losstaand sportdossier, maar onderdeel van de maatschappelijke basis van Nederland. Als regels, kosten en administratieve lasten daar te zwaar op drukken, raakt dat niet alleen de sport, maar ook de plekken waar mensen elkaar nog vanzelfsprekend ontmoeten.
‘Wij vinden verenigingen normaal, maar dat zijn ze niet’
‘Ik rijd al 25 jaar door heel Nederland om vrijwilligersorganisaties, met name sportverenigingen en verenigingen in de cultuursector, te ondersteunen,’ zei Klijn. ‘Prachtig werk om te mogen doen. Maar je komt ook heel veel tegen waar mensen tegenaan lopen in het doen van vrijwilligerswerk.’
Volgens Klijn vindt Nederland het vanzelfsprekend dat mensen zich vrijwillig inzetten voor hun club. Toch is dat helemaal niet vanzelfsprekend.
‘Wij vinden het heel normaal in Nederland dat we verenigingen hebben en dat mensen zich dagelijks inzetten voor hun club. Maar eigenlijk is dat niet normaal. Dat is heel bijzonder.’
Hij verwees naar een discussie van jaren geleden over de vraag of Nederland de Olympische Spelen moest binnenhalen. Volgens Klijn konden Amsterdam en Rotterdam destijds moeilijk uitleggen waarom de Spelen naar Nederland moesten komen. Een Braziliaan moest Nederlanders uitleggen wat Nederland juist wél uniek maakt: het verenigingsleven.
‘Uniek in de wereld, zeldzaam, prachtig,’ zei Klijn daarover. ‘Al die mensen die zich inzetten. Dit vinden wij normaal, maar het is niet normaal.’
Bestuurders staan onder druk
Juist daarom vroeg Klijn aandacht voor de druk op vrijwillige bestuurders. Veel verenigingen draaien op mensen die naast hun werk, gezin en andere verplichtingen verantwoordelijkheid nemen voor accommodatie, leden, financiën, vrijwilligers, veiligheid, regels en maatschappelijke activiteiten.
‘De helft van de verenigingen geeft aan moeite te hebben om bestuurders te vinden,’ zei Klijn. ‘En juist die mensen zijn cruciaal, want die zetten de schouders eronder.’
Volgens Klijn leveren verenigingen veel meer dan sport alleen. Ze zorgen voor ontmoeting, sociale cohesie, gezondheid, hulp aan mensen die ondersteuning nodig hebben en plekken waar mensen zich kunnen ontwikkelen. Die maatschappelijke waarde raakt volgens hem aan veel beleidsterreinen tegelijk.
Daarmee sloot zijn bijdrage aan bij de kern van de RVVB-inbreng: wie investeert in sportverenigingen, investeert niet alleen in sport, maar ook in sociaal kapitaal, vertrouwen en democratische weerbaarheid.
Ga naar de verenigingen toe
CDA-Kamerlid Tijs van der Brink vroeg Klijn wat politiek en overheid kunnen doen om het verenigingsleven te stimuleren. Niet alleen door regels te verminderen, maar ook door mensen te stimuleren om lid te worden, mee te doen en actief te worden in verenigingen.
Klijns antwoord was concreet: ga naar de verenigingen toe. ‘Ik denk dat dat is: afdalen naar die verenigingen. Niet alleen op landelijk niveau, maar zeker ook op lokaal niveau.’
Volgens Klijn raken bestuurders vermoeid van steeds opnieuw naar het gemeentehuis gaan om uit te leggen waarom hun werk belangrijk is. Daar komt bij dat gesprekken vaak plaatsvinden op momenten en plekken die niet aansluiten bij het ritme van vrijwilligersorganisaties.
‘Die groep mensen moet je bereiken en opzoeken daar waar het gebeurt: op de vereniging,’ zei Klijn. ‘Die zijn in de regel ’s avonds open en in het weekend. Ga daar als politiek naar toe, want elke vereniging is anders.’
Daar ligt volgens hem een eenvoudige, maar belangrijke opdracht voor politiek en overheid. Wie wil weten wat verenigingen nodig hebben, moet niet alleen nota’s lezen of gesprekken voeren op het gemeentehuis. Die moet langs de lijn gaan staan, de kantine binnenlopen en bestuurders vragen waar zij tegenaan lopen.
Niet alleen regels schrappen, maar ontlasten
Renilde Huizinga vroeg later in het gesprek welke regels de overheid zou kunnen schrappen om het vrijwilligers en bestuurders makkelijker te maken. Klijn noemde die vraag terecht, maar waarschuwde voor een te simpele benadering.
‘Zo makkelijk is het eigenlijk niet,’ zei hij. ‘Wat je veel meer moet doen, is aansluiten bij de belevingswereld van die vrijwilliger en die bestuurder. En dan kijken: wat is nou echt nodig?’
Volgens Klijn zit de oplossing niet alleen in het schrappen van regels. Soms moet de overheid vooral helpen om vrijwilligers te ontlasten. Hij gaf het voorbeeld van een voetbalvereniging in Heerlen, waar honderden kinderen via het Jeugdfonds Sport & Cultuur kunnen sporten. De voorzitter is volgens Klijn jaarlijks vele uren kwijt aan formulieren en administratie.
‘Waarom zit deze man met zijn vrijwilligers dat soort formulieren in te vullen?’ vroeg Klijn zich hardop af. ‘Dit is een voetbalclub in een achterstandswijk in Heerlen.’
De boodschap daarachter was helder: kijk niet alleen naar regels op papier, maar naar de gevolgen in de praktijk. Een regel kan verdedigbaar zijn, maar alsnog veel te zwaar drukken op vrijwilligers die maatschappelijk belangrijk werk doen.
Denk bij nieuwe regels aan vrijwilligers
Aan het einde van het gesprek legde Klijn nog een breder punt op tafel. Nieuwe wetgeving ontstaat vaak vanuit begrijpelijke zorgen, bijvoorbeeld na problemen in professionele organisaties. Maar diezelfde regels kunnen vervolgens ook terechtkomen bij sportverenigingen en andere vrijwilligersorganisaties.
Klijn noemde de WBTR als voorbeeld. Regels die mede voortkomen uit problemen bij professionele bestuurders kunnen in de praktijk ook vrijwillige verenigingsbestuurders raken. ‘Als er nieuwe regels worden gemaakt, hou dan een beetje rekening met wat dat voor gevolgen heeft voor vrijwilligers.’
Hij riep Kamerleden daarom op om ook buiten de eigen commissie te kijken. Regels uit het ene beleidsterrein kunnen gevolgen hebben voor verenigingen op een ander terrein. Juist daarom is het belangrijk dat politiek en overheid bij nieuwe maatregelen steeds de vraag stellen: wat betekent dit voor vrijwillige bestuurders?
Rechtsstaat leeft ook op de vereniging
Het rondetafelgesprek liet zien dat de discussie over de rechtsstaat niet alleen gaat over rechtbanken, wetten en instituties. Het gaat ook over de vraag of burgers elkaar nog ontmoeten, vertrouwen en verantwoordelijkheid nemen.
Voor sportbestuurders is dat geen abstract verhaal. Zij zien wekelijks hoe verenigingen kinderen, ouders, vrijwilligers, buurtbewoners en bestuurders bij elkaar brengen. Zij zien ook hoe kwetsbaar die structuur wordt als regels, kosten en bestuurlijke druk blijven toenemen.
De boodschap van het RVVB aan de Kamer was daarom praktisch en urgent: praat niet alleen over verenigingen, maar ga erheen. Haal op wat bestuurders nodig hebben. Kijk bij nieuwe regels naar de gevolgen voor vrijwilligers. En erken sportverenigingen als onderdeel van de maatschappelijke basisinfrastructuur.
Want wie de democratische rechtsstaat wil versterken, moet ook investeren in de plekken waar mensen elkaar nog leren kennen.
Bekijk hier het fragment van Daniel Klijn tijdens de ronde tafel


