Skip links

Hogere badhuur dwingt zwemverenigingen tot pijnlijke keuzes

De stijgende kosten van zwemwater zetten Nederlandse zwemverenigingen steeds verder onder druk. Uit een verkennend onderzoek van het RVVB onder 40 verenigingen blijkt dat vrijwel alle clubs de afgelopen jaren te maken kregen met hogere badwatertarieven. Een ruime meerderheid verhoogde de contributie en driekwart maakt zich zorgen over de toekomst. De gevolgen lopen uiteen: van het aanspreken van financiële reserves tot minder trainingsuren en steeds hogere contributies. Vooral de beperkte mogelijkheden om zelf inkomsten te genereren, maken de positie van vrijwilligersverenigingen kwetsbaar.

Bij zwem- en waterpolovereniging Het Ravijn in Nijverdal ging vorig jaar maar liefst 87 procent van de contributie-inkomsten op aan de huur van zwemwater. De vereniging telt volgens verenigingsmanager André Gorter ongeveer 470 leden, van wie er 370 actief de zwemsport beoefenen en contributie betalen. De jaarlijkse badhuur bedraagt ongeveer 86.000 euro.

Het Ravijn is geen doorsnee recreatieve vereniging. Verschillende waterpoloteams spelen op eredivisieniveau en ook de jeugd komt op hoog niveau uit. Sommige jonge talenten liggen daardoor wel zeven keer per week in het water. Dat vraagt aanzienlijk meer trainingsuren dan bij een vereniging die hoofdzakelijk recreatieve zwemsport aanbiedt.

‘Wij hebben misschien niet de allerhoogste badhuurtarieven,’ vertelt Gorter. Maar juist door het grote aantal trainingsuren loopt de rekening flink op. Tegelijkertijd beschikt de vereniging nauwelijks over mogelijkheden om zelf extra inkomsten te genereren. Een eigen kantine exploiteert de club niet en ook de mogelijkheden voor reclame en sponsoring zijn beperkt.

‘Sportief functioneren we op topsportniveau, organisatorisch zijn we een vrijwilligersvereniging en financieel beschikken we grotendeels over het verdienmodel van een amateurvereniging,’ vat Gorter de situatie samen.

Bijna alle verenigingen melden hogere tarieven

De ervaringen van Het Ravijn staan niet op zichzelf. Het RVVB vroeg zwemverenigingen naar de ontwikkeling van hun badwatertarieven, contributies en financiële vooruitzichten. Van de 40 afzonderlijke verenigingen die in het verkennende onderzoek zijn meegenomen, melden er 39 (94 procent) dat de badhuur de afgelopen jaren is gestegen.

Bij 34 verenigingen ging ook de contributie omhoog. Daarnaast maken 28 verenigingen zich zorgen over hun toekomst door stijgende kosten.

De verhogingen lopen sterk uiteen. Sommige verenigingen melden jaarlijkse indexeringen van enkele procenten, terwijl andere aanzienlijk grotere tariefstijgingen rapporteren. Zo steeg de badhuur voor de Amsterdamse waterpolovereniging D.J.K.-ZAR tussen 2021 en 2025 met 28 procent, van 96 naar 123 euro per uur. PSV Watersporten in Eindhoven rapporteert een stijging van 14,75 procent tussen 2023 en 2026. De Roersoppers in Roermond melden een verhoging van 20 procent.

Omdat de verenigingen verschillende perioden en soorten zwemwater opgeven, valt geen betrouwbaar gemiddeld stijgingspercentage te berekenen. Wel laten de antwoorden zien dat de kostenontwikkeling bij verschillende verenigingen verder gaat dan een beperkte jaarlijkse indexering.

In Ermelo dreigt de financiële buffer te verdwijnen

Voor kleine verenigingen kunnen zulke stijgingen grote gevolgen hebben. ZEW Ermelo telt ongeveer negentig betalende leden, onder wie veel jeugdleden, en draait op de inzet van vijftien tot twintig vrijwilligers.

Volgens Gerda Westhoff van ZEW krijgt de vereniging te maken met een extra huurstijging van in totaal ongeveer zestien procent, verspreid over twee stappen. Daar komen de gebruikelijke jaarlijkse indexeringen nog bovenop.

De verhogingen hangen volgens Westhoff samen met gemeentelijke bezuinigingen. Sportbedrijf Interactie, dat de gemeentelijke sportaccommodaties beheert, moet een deel van de bezuinigingsopgave opvangen via onder meer hogere huurtarieven.

Tegelijkertijd verliest ZEW een belangrijke inkomstenbron. Jarenlang profiteerde de vereniging van de opbrengsten van de oud-papierinzameling door vrijwilligers. Volgens Westhoff leverde dat ongeveer 3.000 euro per jaar op. Er is een overgangsregeling, maar de structurele inkomsten verdwijnen op termijn.

‘Het is elke keer net een sluitende begroting,’ vertelt Westhoff. Maar uit haar eigen financiële doorrekening blijkt volgens haar dat bij aanhoudende kostenstijgingen en teruglopende inkomsten de vereniging op termijn niet kan blijven bestaan,

Westhoff benadrukt dat dit een scenario is, geen vaststaande einddatum. Als de kosten minder snel stijgen, kan de vereniging het langer volhouden. Maar zonder extra inkomsten of hogere contributies blijft volgens haar een structureel tekort bestaan.

Een forse contributieverhoging is niet eenvoudig. ZEW telt relatief veel jeugdleden en werkt voor waterpolo samen met een vereniging uit Putten. Grote verschillen in contributies kunnen die samenwerking bemoeilijken. Extra sponsoring vraagt bovendien om nieuwe vrijwilligers die daarvoor tijd moeten vrijmaken.

Minder zwemwater en vollere trainingsbanen

Bij de Koninklijke Amsterdamsche Zwemclub 1870 laten de stijgende kosten zich op een andere manier voelen. Volgens voorzitter Mariëlle Beers betaalt de vereniging inmiddels ongeveer 130 euro per uur voor zwemwater. De club heeft al trainingsuren ingeleverd om de begroting sluitend te houden.

De gevolgen merkt Beers als trainer direct. Op uitzonderlijk drukke momenten kwam het voor dat er 55 zwemmers tegelijk in het water lagen. Soms zwemmen twaalf tot dertien leden in één baan. Dat beperkt de mogelijkheden om zwemmers individueel te begeleiden.

Het levert volgens Beers een opmerkelijke tegenstelling op. Meer leden zijn welkom, niet alleen voor het verenigingsleven, maar ook om de inkomsten te vergroten. Tegelijkertijd maakt een hogere bezetting het lastiger om kwalitatief goede trainingen te verzorgen.

‘Als trainer ben je soms blij als ze er niet allemaal zijn, want dan kun je ze meer aandacht geven,’ vertelt Beers.

De vereniging heeft inmiddels ook haar contributiesysteem aangepast. Voorheen betaalden jeugdleden vooral op basis van hun leeftijd, ongeacht hoe vaak zij trainden. Nu betalen leden die drie of vier keer per week zwemmen meer dan leden die minder vaak trainen.

Dat is een lastige keuze voor Beers. Zij vindt dat het talent en de motivatie van kinderen leidend moeten zijn, niet de financiële mogelijkheden van hun ouders.

Bovendien kunnen contributieverhogingen bij gezinnen met meerdere zwemmende kinderen behoorlijk oplopen. Een verhoging van 25 euro per kind betekent voor een gezin met drie zwemmende kinderen een extra uitgave van 75 euro.

Hoge kosten beperken ook het sportaanbod

In Amsterdam-West ziet ook waterpolovereniging D.J.K.-ZAR hoe hoge badwatertarieven de mogelijkheden van een vrijwilligersvereniging beperken.

De vereniging telt ongeveer honderd leden en traint in Sportplaza Mercator. Volgens een eigen financiële analyse gaat 77 procent van de totale verenigingsuitgaven naar huisvesting. Dat laat weinig ruimte over voor trainersvergoedingen, opleidingen en andere verenigingsactiviteiten.

Volgens bestuurslid Jelle Dikker werken de accommodatiekosten rechtstreeks door in de toegankelijkheid van de sport. Een uur zwemwater kost de vereniging 127 euro, ongeacht hoeveel leden aan de training deelnemen. Bij twintig sporters is de gehuurde zwemruimte volledig benut. Zelfs bij die maximale bezetting kost een uur trainen al ruim zes euro per sporter. En dan gaat het uitsluitend om het gebruik van het zwembad. De kosten van trainers, materialen en andere verenigingsactiviteiten komen daar nog bovenop.

Voor beginnersgroepen en activiteiten met minder deelnemers is het daardoor financieel nog moeilijker om een passend aanbod te organiseren. Daar komt de schaarste aan geschikte zwembaduren bij. D.J.K.-ZAR traint grotendeels in de late avonduren. De bestaande trainingen zitten vol en ontbreekt voldoende wedstrijdtijd om extra teams in te schrijven.

Dikker wijst ook op de ontwikkeling van zijn eigen vereniging. D.J.K.-ZAR bood vroeger verschillende zwemactiviteiten aan en telde ongeveer driehonderd leden. Na ernstige financiële problemen in 2018 koos de vereniging ervoor om uitsluitend met waterpolo door te gaan.

Volgens Dikker speelden meerdere factoren een rol, waaronder het vertrek van vrijwilligers en leden en onvoldoende grip op de financiën. De hoge badhuur was dus niet de enige oorzaak. Maar de geschiedenis laat volgens hem wel zien hoe kwetsbaar een vrijwilligersvereniging kan zijn wanneer inkomsten teruglopen en vaste kosten doorlopen.

De afgeslankte vereniging is inmiddels financieel beter georganiseerd, maar heeft daardoor ook minder mogelijkheden om nieuwe doelgroepen aan te trekken. Activiteiten die niet direct voldoende deelnemers opleveren, zijn moeilijk van de grond te krijgen.

Dikker vreest dat waterpolo zo steeds meer een sport wordt voor mensen die de hogere contributies kunnen betalen.

‘Men kan gewoon goedkoper een andere sport doen’

Die zorg leeft ook bij Z&PC De Gendten in Silvolde. De vereniging telt ongeveer 130 leden en betaalt volgens voorzitter Jos Sewalt in 2026 een badwatertarief van 68,33 euro per uur.

Volgens Sewalt stijgt de badhuur doorgaans jaarlijks met ongeveer vier procent. In 2023 kreeg de vereniging vanwege de hoge gasprijzen te maken met een verhoging van acht procent.

De Gendten probeert de kosten op te vangen met contributies, sponsoring en bijdragen uit fondsen. Toch ziet Sewalt al jaren een teruglopend ledenaantal. De vereniging meldt  negen opzeggingen in verband met de stijgende kosten.

‘Men kan gewoon goedkoper een andere sport doen,’ zegt hij.

Sewalt vraagt vooral aandacht voor de verschillen in accommodatiekosten tussen sporten. De zwemsport krijgt nauwelijks compensatie voor de relatief hoge kosten van zwemwater. De vereniging spreekt de gemeente daarop aan en kijkt onder meer naar de manier waarop Doetinchem de accommodatiekosten voor sportverenigingen organiseert.

Wie draagt uiteindelijk de rekening?

De vergelijking met andere sporten komt in vrijwel alle gesprekken terug. Zwemverenigingen hebben doorgaans geen eigen accommodatie en missen vaak de inkomsten uit horeca, verhuur en reclame die veel buitensportverenigingen wel hebben. Tegelijkertijd drukken de kosten van zwemwater zwaar op hun begroting.

Volgens André Gorter van Het Ravijn gaat het niet om de vraag waarom een zwembad duurder is dan een voetbalveld, maar welk deel van de accommodatiekosten uiteindelijk bij de vereniging en haar leden terechtkomt. En of gemeenten de verschillen tussen sporten bewust en op basis van duidelijke beleidskeuzes maken.

Ook Jelle Dikker van D.J.K.-ZAR stelt vragen bij de verdeling van kosten tussen gemeenten, zwembadexploitanten en verenigingen. Zeker wanneer exploitanten winst maken en tegelijkertijd publieke subsidies ontvangen, is volgens hem meer inzicht nodig in de manier waarop badwatertarieven tot stand komen.

Voor vrijwilligersbesturen blijft ondertussen de ruimte om de stijgende kosten op te vangen beperkt. Hogere contributies maken de sport minder toegankelijk, terwijl minder zwemwater ten koste kan gaan van trainingen en het verenigingsaanbod. De vraag is dan ook hoe lang zwemverenigingen deze stijgende kosten nog kunnen dragen zonder dat steeds meer sporters afhaken.