In aanloop naar het commissiedebat Sport pleit D66-Kamerlid Renilde Huizenga voor een bredere aanpak van sport en bewegen. Volgens haar gaat sportbeleid niet alleen over accommodaties, subsidies of topsport, maar over gezondheid, leefstijl, sociale samenhang, onderwijs, ruimte en de positie van sportverenigingen.
Huizenga wil af van losse regelingen en reparaties achteraf. Sport en bewegen moeten een veel steviger plek krijgen in het overheidsbeleid. “Als wij sport serieus nemen en bewegen serieus nemen, gaat het over echt een andere aanpak,” zegt zij. “Meer als levensstijl en als onderdeel van onze maatschappij.”
Sport niet los zien van andere domeinen
Volgens Huizenga ligt de kern bij een leven lang fysiek en mentaal gezond blijven. Bewegen speelt daarin een centrale rol. Sport raakt daarmee niet alleen het ministerie van VWS, maar ook onderwijs, het sociaal domein, ruimtelijke ordening en Binnenlandse Zaken.
Die verbinding mist volgens haar nu te vaak. In beleid draait het al snel om losse onderdelen: accommodaties, verduurzaming, subsidies, topsport of buitenspelen. Huizenga wil juist een lijn zien die sport, bewegen en buitenspelen koppelt aan grotere maatschappelijke opgaven.
“Sporten en bewegen en buitenspelen zijn het beste medicijn voor een leven lang gezond blijven,” zegt zij. Volgens Huizenga gaat het daarbij niet alleen om fysieke gezondheid, maar ook om mentale gezondheid en sociale cohesie.
Verenigingen zijn te veel tijd kwijt aan randzaken
Huizenga spreekt daarbij nadrukkelijk over sportverenigingen. Zij kent de praktijk van binnenuit, onder meer als oud-bestuurder in de zwemsport. Volgens haar dragen verenigingen bij aan sociale cohesie, toegankelijk bewegen en ontmoeting, maar raken vrijwillige bestuurders te vaak verstrikt in taken die ver van sport afstaan.
Bestuurders richten zich liever op het werven van vrijwilligers, instroom van kinderen, leden, trainers en het draaiende houden van de club. In de praktijk gaat veel energie naar zonnepanelen, vergunningen, subsidieformulieren, registraties en ingewikkelde regelingen.
“Een vereniging die bezig is met een duurzaam gebouw, dat zou eigenlijk niet de kerntaak van een sportvereniging moeten zijn,” zegt Huizenga. Zij vindt dat de overheid de aanpak moet vereenvoudigen en de regeldruk rond verenigingen fors moet terugdringen.
Accommodaties als maatschappelijke basis
Ook gemeenten spelen volgens Huizenga een grote rol. Veel uitvoering van sportbeleid ligt lokaal. Tegelijk gaat veel geld naar accommodaties, terwijl de ondersteuning van kader, buurtsportcoaches en verenigingen onder druk staat.
Huizenga vindt dat gemeenten sportaccommodaties breder moeten bekijken. Sporthallen, gymzalen, schoolpleinen en clubgebouwen staan vaak grote delen van de tijd leeg, terwijl jongeren, ouderen en maatschappelijke initiatieven juist plekken zoeken om elkaar te ontmoeten en in beweging te komen.
Dat past bij het idee van sportverenigingen als sociale basisinfrastructuur. Een club kan meer zijn dan een plek voor training of wedstrijd. Het kan ook een ontmoetingsplek zijn voor jongeren, ouderen en buurtinitiatieven.
Minder verkokering, ook binnen de sport zelf
Huizenga ziet niet alleen verkokering tussen ministeries, gemeenten en beleidsterreinen. Ook binnen de sport zelf valt volgens haar nog winst te halen. Zij noemt voorbeelden van sportvelden in een stad die op bepaalde momenten leeg liggen, terwijl andere clubs een wachtlijsten hebben. Dat wringt, zeker wanneer kinderen graag willen sporten.
Ook regels van bonden of vaste structuren binnen sporten kunnen samenwerking tussen verenigingen in de weg zitten. Huizenga verwijst naar situaties waarin clubs afzonderlijk te weinig spelers tellen om een team in te schrijven, terwijl samenwerking misschien juist een oplossing biedt. Een bredere visie op sport en bewegen draait daarom ook om de vraag welke regels samenwerking onnodig ingewikkeld maken.
BOSA laat kwetsbaarheid van verenigingen zien
Huizenga steunde eerder samen met CDA-Kamerlid Inge van Dijk extra middelen voor de BOSA-regeling. Zij noemt dat een kleine stap, maar geen oplossing voor het grotere probleem. Volgens haar nemen verenigingen grote risico’s bij verduurzaming of uitbreiding van accommodaties. Zij gaan verplichtingen aan, terwijl zij nog niet zeker weten of de subsidie daadwerkelijk komt.
Daar wringt volgens Huizenga de opzet van de regeling. Vrijwillige sportbestuurders moeten plannen maken, aanbestedingen starten en financiële keuzes voorleggen aan leden, terwijl de zekerheid pas later volgt. Als een regeling niet voorspelbaar genoeg is, schuift het risico naar de vereniging en uiteindelijk naar de leden.
Regelingen moeten eenvoudiger en toegankelijker
Huizenga kijkt ook breder naar de manier waarop de overheid met verenigingen omgaat. Niet alleen bij BOSA, maar bij veel regelingen lopen vrijwillige bestuurders vast op formulieren, voorwaarden en ingewikkelde aanvragen. Daardoor laten clubs soms geld liggen, niet omdat het initiatief ontbreekt, maar omdat tijd, kennis of capaciteit ontbreekt.
Volgens Huizenga vraagt dat om meer dan alleen minder regels. Soms is ook praktische ondersteuning nodig. Zij herkent dat uit eigen ervaring bij een vereniging, waar een subsidieaanvraag veel werk vroeg: een visie schrijven, een begroting maken en aan voorwaarden voldoen voordat het initiatief goed van de grond kon komen. “Soms is het niet alleen maar schrappen van regels, maar moet je ook ondersteuning regelen,” zegt zij.
Sport zit nog te vaak in een parallelle wereld
Huizenga ziet sportverenigingen niet alleen als plekken waar mensen trainen of wedstrijden spelen, maar ook als onderdeel van de sociale basis. Daar ligt volgens haar nog veel onbenutte kracht. Fondsen en maatschappelijke organisaties investeren vaak in gemeenschapszin, ontmoeting en buurtinitiatieven, terwijl sportverenigingen precies op dat terrein al veel doen. Toch schuift sport niet vanzelf aan bij die gesprekken. “Sport zit daar nog niet altijd aan tafel,” zegt Huizenga.
Een brede visie op sport en bewegen vraagt daarom ook om partners buiten de sportsector. Buurtfondsen, maatschappelijke organisaties, gemeenten en verenigingen kunnen elkaar versterken. Een buurtbarbecue kan net zo goed gekoppeld raken aan een 3×3-basketbaltoernooi, ouderen kunnen via een vereniging uit sociaal isolement komen en kinderen kunnen via laagdrempelige activiteiten kennismaken met sport. Juist daar ziet Huizenga kansen: sport niet als aparte wereld, maar als praktische motor voor ontmoeting, preventie en sociale samenhang.
Tempo maken met ombudsfunctie
Huizenga steunt het idee van een ombudsfunctie voor sportverenigingen. Die functie kan volgens haar helpen bij concrete knelpunten, maar ook signalen uit het land zichtbaar maken. Zij verwacht dat de minister hier snel werk van maakt en in gesprek gaat met NOC*NSF, RVVB en vertegenwoordigers van verenigingen.
Juist de signalen van clubs verdienen volgens haar een plek aan tafel. Vrijwillige bestuurders richten zich in de dagelijkse praktijk op trainingen, wedstrijden, kantines, vervoer en leden. Zij volgen niet altijd elk beleidsproces bij de gemeente of in Den Haag. Daardoor ontstaat behoefte aan een plek die patronen herkent en knelpunten agendeert.
Huizenga noemt onder meer stijgende badwatertarieven in de zwemsport als voorbeeld. Als zulke signalen landelijk samenkomen, kan dat volgens haar bestuurders helpen en politieke aandacht afdwingen.
Initiatiefnota en langere adem
Huizenga wil na het commissiedebat verder werken aan een initiatiefnota over sport en bewegen. Op termijn past daar ook een sport- en beweegwet bij. Zij maakt daarbij onderscheid tussen korte termijn en lange termijn. Op korte termijn ziet zij “sprintjes” voor urgente knelpunten, zoals regeldruk, BOSA en de positie van sportverenigingen. Die problemen vragen snel om actie, maar lossen volgens haar het grotere vraagstuk niet op.
Voor de langere termijn wil zij vooral voorkomen dat het beleid blijft bestaan uit losse maatregelen. Er moet volgens haar meer richting komen, met sport, bewegen en buitenspelen als vast onderdeel van hoe Nederland werkt aan gezondheid en samenhang. “Ik vind niet dat we moeten repareren op één los onderdeel,” zegt zij. “Dan lopen we vast, en we willen juist vooruit!”

