Tijdens het commissiedebat Sportbeleid in de Tweede Kamer stond de positie van sportverenigingen nadrukkelijk op de agenda. Dat kwam niet alleen door de inbreng van Kamerleden, maar ook door de aanwezigheid van sportbestuurders op de publieke tribune en in de meekijkzaal. Zij volgden het debat vanuit een duidelijke zorg: de maatschappelijke waarde van sportverenigingen klinkt steeds vaker door in Den Haag, maar in de bestuurskamer draait het tegelijk om BOSA, stijgende kosten, regeldruk, accommodaties en onzekerheid over toekomstig beleid.
Minister Mirjam Sterk trad aan als vierde bewindspersoon op sport in vier jaar tijd. Dat gegeven kwam meerdere keren terug. Tegelijk lag er in het debat ook ruimte voor een nieuwe start. De minister sprak over langere lijnen, structurele oplossingen en meer samenhang in sport- en beweegbeleid. Voor sportbestuurders is vooral van belang of die lijn straks merkbaar is in de praktijk van de vereniging.
BOSA blijft grootste pijnpunt
De BOSA-regeling vormde de meest concrete zorg van veel verenigingen. Na de problemen rond het aanvraagloket en de daaropvolgende loting zitten clubs met bouwplannen, verduurzamingstrajecten en investeringen in onzekerheid. Voor bestuurders gaat dit niet om een technisch subsidieprobleem, maar om financiële haalbaarheid, ledenvergaderingen, leningen, offertes en projecten die soms al jarenlang voorbereid zijn.
Mohammed Mohandis (PRO) legde die spanning scherp op tafel. Hij wees erop dat bestuurders in de zaal vrijwillig clubs draaiende houden en nu vooral willen weten hoe de minister omgaat met verenigingen die door de BOSA-problematiek in de knel zitten. Ook vroeg hij hoe de maatschappelijke waarde van verenigingen terugkomt in toekomstig beleid en hoe sportbestuurders zelf daarbij aan tafel komen.
Inge van Dijk (CDA) vroeg naar structurele oplossingen voor bouw, verbouw en onderhoud van de sportinfrastructuur. Daarmee verschoof het debat van alleen de vraag hoe de BOSA dit jaar uitpakt, naar de grotere vraag hoe Nederland de basis onder sportverenigingen op langere termijn organiseert. De gedachte aan een revolverend fonds kwam opnieuw langs, maar tegelijk bleef de vraag liggen wat verenigingen op korte termijn mogen verwachten.
Minister Sterk erkende dat de gang van zaken rond BOSA voor veel clubs tot teleurstelling en onzekerheid leidt. Zij gaf aan dat de juridische keuze voor loting voortkwam uit het gelijkheidsbeginsel na de problemen met het loket. Ook schetste zij dat dit jaar extra geld beschikbaar kwam via het amendement-Van Dijk, waardoor ongeveer honderd extra aanvragen steun kunnen krijgen. Voor alle aanvragen biedt dat echter geen oplossing. Voor volgend jaar kijkt de minister naar extra ruimte, een andere inrichting van de regeling en mogelijk een lager subsidieplafond per aanvraag. In het najaar volgt meer duidelijkheid.
Van incidentele regelingen naar lange lijnen
Een belangrijke lijn in het debat was de roep om minder kortlopende projecten en meer structurele borging. Dat punt kwam sterk terug bij de inbreng van het CDA kamerlid Van Dijk. Zij benadrukte dat sport al jaren met een beperkte begroting werkt en dat de Kamer creatiever moet kijken naar verbinding met preventie, gezondheid en andere domeinen. Sport als preventie kan volgens haar ruimte openen voor bredere financiering en stevigere keuzes.
Renilde Huizenga (D66) trok die lijn verder door. Zij pleitte voor een overkoepelende sport- en beweegvisie, waarin sport niet langer los beleid is, maar onderdeel van gezondheid, onderwijs, leefomgeving, sociaal domein en preventie. Haar bijdrage sloot goed aan bij wat veel verenigingen dagelijks ervaren: sportclubs doen veel meer dan trainingen en wedstrijden organiseren. Zij bieden ontmoeting, structuur, ontwikkeling en sociale samenhang.
De minister sloot daarbij aan door te zeggen dat zij met andere ministeries wil optrekken. Zij verwees naar de Sport- en Beweegwet, naar het borgen van opbrengsten uit het Sportakkoord en naar de noodzaak om minder afhankelijk te zijn van incidentele subsidies. Begin volgend jaar volgt nadere informatie over de uitwerking van de Sport- en Beweegwet.
Sportbestuurder nadrukkelijker in beeld
Voor het RVVB en de aanwezige sportbestuurders was een belangrijk moment dat kamerlid Mohandis expliciet vroeg naar de positie van de sportbestuurder zelf. Niet alleen koepels, bonden of bekende partners moeten meepraten over beleid, maar juist ook de vrijwillige bestuurders die de vereniging in de praktijk draaiende houden.
De minister gaf aan dat zij in een volgende brief een apart kopje over verenigingen wil opnemen. Ook ging zij in op de motie over een ombudsfunctie voor sportverenigingen. Volgens Sterk loopt een nadere verkenning naar een onafhankelijke en onpartijdige ombudsfunctie. Zij wil in het eerste kwartaal terugkomen op de vraag hoe die functie eruit kan zien. Daarbij noemde zij uitdrukkelijk het belang van gesprekken met vrijwillige sportbestuurders en het RVVB.
Dat is voor sportverenigingen een belangrijk signaal. Tegelijk blijft de opdracht helder: de ombudsfunctie moet aansluiten bij de praktijk en niet blijven steken in overleg over structuren. Bestuurders zoeken een plek waar signalen landen, waar patronen zichtbaar raken en waar individuele problemen kunnen leiden tot bredere verbetering.
Regeldruk en ondersteuning
Ook regeldruk kwam nadrukkelijk terug. Vrijwilligers dragen steeds meer verantwoordelijkheid voor financiën, veiligheid, vergunningen, privacy, verduurzaming en accommodatiebeheer. Huizenga benoemde de noodzaak om vrijwilligers minder te belasten met regels en formulieren. De minister herkende dit probleem en verwees naar een rijksbrede aanpak. Voor de zomer van 2027 komt een aanpak met oplossingsrichtingen rond de tien wettelijke verplichtingen die de meeste regeldruk opleveren. Daarnaast komt na de zomer een instrument voor organisatoren van sportevenementen om sneller inzicht te krijgen in benodigde vergunningen.
Dat klinkt praktisch, maar sportbestuurders zullen vooral letten op het resultaat. Minder regeldruk betekent pas iets als formulieren korter, procedures duidelijker en verantwoordelijkheden eerlijker verdeeld raken. Ook hier ligt een duidelijke rol voor het RVVB: signalen uit de verenigingspraktijk bundelen en scherp houden waar beleid botst met vrijwilligerswerk.
Discriminatie en zwemmen
van DENK vroeg nadrukkelijk aandacht voor discriminatie en racisme in de sport, naar aanleiding van online uitingen richting spelers van het Nederlands elftal. De minister sprak haar afschuw uit en wees op bestaande trajecten met onder meer de KNVB, meldpunten en de aanpak van online haat. Voor verenigingen ligt hier eveneens een herkenbare opdracht: sport moet een veilige plek blijven, op het veld, langs de lijn en online.
Daarnaast kwamen onderwerpen als buitenspelen, zwemveiligheid, kansengelijkheid en toegang tot sport aan bod. Kamerleden vroegen naar kinderen die minder bewegen, wachtlijsten voor zwemles, schoolzwemmen en de vraag of ondersteuning de gezinnen bereikt die dat het hardst nodig is.
Positieve beweging, maar nog veel onzekerheid
Het debat liet brede steun voor sportverenigingen zien. De kamerleden legden vanuit verschillende invalshoeken de nadruk op dezelfde kern: sportverenigingen vormen een maatschappelijke basis, maar kunnen die rol alleen blijven spelen met duidelijke kaders, uitvoerbare regelingen en structurele steun.
De minister liet zien dat zij de waarde van sport en verenigingen ziet. Zij sprak over structurele lijnen, een Sport- en Beweegwet, samenwerking met andere ministeries, een nadere uitwerking van clubondersteuning en overleg met het RVVB over de positie van sportbestuurders. Dat biedt aanknopingspunten.
Tegelijk bleef na het debat veel onzeker. Voor BOSA is nog niet duidelijk hoeveel extra ruimte er komt en hoe de regeling vanaf volgend jaar precies ingericht zal zijn. Ook de uitwerking van een revolverend fonds vraagt nog om keuzes die voor verenigingen praktisch uitvoerbaar moeten zijn. Voor clubs die nu buiten de boot vallen, is vooral duidelijkheid op korte termijn nodig.
Ook rond de ombudsfunctie en de betrokkenheid van sportbestuurders ligt nog werk. Het debat liet zien dat verenigingen steeds vaker onderwerp van beleid zijn, maar de volgende stap is dat bestuurders ook structureel gesprekspartner worden bij de uitvoering. Juist daar ligt voor het RVVB een belangrijke rol: signalen uit de praktijk blijven bundelen en ervoor zorgen dat waardering voor sportverenigingen leidt tot beleid dat in de bestuurskamer werkt.
Voor het RVVB is de conclusie helder. Het debat maakte zichtbaar dat de politieke waardering voor sportverenigingen groeit. De komende maanden draait het om de vertaling naar de praktijk. Sportbestuurders vragen niet om mooie woorden alleen, maar om beleid dat werkt aan de bestuurstafel, in de kantine en op het sportpark.

