SP-Kamerlid Sarah Dobbe ziet sport niet als luxe, maar als onderdeel van een sterke samenleving. Sport draagt bij aan gezondheid, kansengelijkheid, ontmoeting en weerbaarheid. Maar dan moet de politiek volgens haar wel kiezen voor structurele investeringen in sportverenigingen, accommodaties en laagdrempelige voorzieningen. “Dingen die normaal zouden moeten zijn, moeten weer normaal worden.”
Sarah Dobbe zit namens de SP in de Tweede Kamer. Binnen de kleine fractie van drie Kamerleden bestrijkt zij een breed pakket aan onderwerpen: zorg en sport, veiligheid en justitie, buitenlandse zaken, ontwikkelingssamenwerking, emancipatie en defensie.
In het gesprek over sport komt zij snel uit bij bestaanszekerheid. Want wie moeite ervaart met de maandelijkse rekeningen, kiest niet vanzelfsprekend voor sport. “Als je moet kiezen tussen eten, de energierekening en sport, dan is sport het eerste wat afvalt.”
Daarmee raakt sport volgens Dobbe direct aan ongelijkheid. “Mensen uit lagere sociaal-economische klassen, met minder inkomen en minder opleiding, krijgen ook minder kansen om te sporten. Ze bewegen dus minder.” Voor de SP begint sportbeleid daarom niet bij losse projecten, maar bij de vraag of iedereen werkelijk mee kan doen.
Verenigingen als sociaal fundament
Voor Dobbe vormen sportverenigingen een belangrijk antwoord op die vraag. Niet alleen omdat mensen er bewegen, maar ook omdat ze elkaar daar ontmoeten. Op het veld, in de kantine, langs de lijn en in de kleedkamer komen mensen met verschillende achtergronden elkaar tegen.
“Je komt daar allerlei verschillende mensen tegen,” zegt Dobbe. “Je staat langs de lijn, je voert gesprekken. Je draagt samen iets.”
Juist dat samen dragen maakt sportverenigingen volgens haar waardevol. Clubs draaien op vrijwilligers, ouders, trainers, bestuursleden, lokale sponsoren en betrokken leden. “Je draagt ook samen iets, omdat er zoveel vrijwilligers zijn die verenigingen in stand houden en samen werken om die verenigingen te laten draaien. Juist daarin schuilt volgens Dobbe de kracht van het verenigingsleven.”
Volgens Dobbe ligt daar een brede maatschappelijke waarde. “Uiteindelijk zijn we sociale wezens. Sport is een manier om met elkaar in contact te komen. Je leert samenwerken, je leert presteren, winnen en verliezen, en je maakt jezelf gezonder.”
Het impactrapport bevestigt die waarde
Die brede blik sluit aan bij het landelijke impactonderzoek naar sportverenigingen, waarin de maatschappelijke waarde van sportclubs in beeld is gebracht. Dobbe herkent de uitkomst dat investeren in sport veel meer oplevert dan alleen sportdeelname.
Sportverenigingen dragen bij aan gezondheid, sociale samenhang, vrijwilligerswerk, lokale netwerken en weerbaarheid. Daarmee raakt het gesprek over sport direct aan zorgkosten, preventie en leefbare buurten.
“Als je kijkt wat het zou opleveren als we fatsoenlijk investeren in sport: je spaart zorgkosten uit en je krijgt een veel gezondere samenleving.”
Volgens Dobbe krijgt sport in de politiek nog altijd te weinig aandacht. In een debat over leefstijlpreventie ging het vooral over voeding en de schijf van vijf. “Er is gewoon bijna geen aandacht voor sport,” zegt ze. “Terwijl sport een elementair onderdeel van onze samenleving is.”
‘Een fijne, goedkope manier om samenhang te stimuleren’
Dobbe legt veel nadruk op de rol van verenigingen. Zij ziet clubs als een van de weinige plekken waar mensen nog vanzelfsprekend samenkomen. Dat geldt voor kinderen, maar ook voor ouders en andere volwassenen.
“In een tijd waarin sociale samenhang onder druk staat, is de sportvereniging een hele belangrijke plek,” zegt ze.
Die functie vraagt volgens haar bescherming. Dobbe maakt zich zorgen over beleid dat juist de basis onder sportverenigingen raakt. Gemeenten krijgen veel verantwoordelijkheden, terwijl de financiële ruimte onder druk staat. Daardoor dreigt sport snel naar de achtergrond te verdwijnen.
“Sport is iets waar gemakkelijk op bezuinigd wordt, ook bij gemeenten,” zegt ze. “Maar daarmee zadel je gemeenten en verenigingen op met dilemma’s waar ze eigenlijk niet uit kunnen komen.”
Zorgen over het Sportakkoord
Dobbe wijst daarbij op het Nationaal Sportakkoord. Als de middelen daaruit wegvallen, raakt dat volgens haar niet alleen gemeenten, maar ook verenigingen. “Dat is toch wel iets wat veel gemeenten gebruikten om bijvoorbeeld verenigingen te ondersteunen en betaalbaar te houden. En dat valt gewoon helemaal weg. Dat vind ik echt heel schadelijk.”
Daarmee raakt zij aan een breder punt: sport krijgt vaak waardering in woorden, maar onvoldoende zekerheid in beleid en financiering. Voor verenigingen telt uiteindelijk vooral of er geld beschikbaar blijft voor accommodaties, betaalbaarheid en ondersteuning. “Je hebt verenigingen nodig, maar die verenigingen hebben ook energierekeningen, gebouwen die onderhoud vragen en sportvelden die gemaaid moeten worden. Dat kost gewoon geld.”
Verenigingen doen al veel zelf
Dobbe benadrukt dat sportverenigingen niet achteroverleunen. Integendeel: clubs halen veel kracht uit de samenleving zelf. Vrijwilligers steken tijd in trainingen, bardiensten, bestuurstaken en onderhoud. Lokale ondernemers dragen vaak bij via sponsoring. “De lokale bakker sponsort vaak, net als de supermarkt of het schildersbedrijf om de hoek.” Er wordt al heel veel vanuit de samenleving bijgedragen om die verenigingen in stand te houden.” Juist daarom vindt Dobbe dat de overheid haar deel niet mag loslaten. “Dat stukje dat nodig is vanuit de overheid, dat staat steeds meer onder druk.” Voor sportbestuurders is dat herkenbaar. Verenigingen leveren maatschappelijke waarde, maar worstelen tegelijk met stijgende kosten, accommodatieonderhoud, verduurzaming en teruglopende subsidieregelingen.
BOSA als voorbeeld van gebrek aan strategie
In dat licht noemt Dobbe ook de BOSA-regeling. De regeling voor bouw en onderhoud van sportaccommodaties leidde dit jaar tot veel frustratie bij sportverenigingen. Door de enorme belangstelling, technische problemen en de latere loting kwamen clubs in onzekerheid terecht. Dobbe noemt de situatie chaotisch. Volgens haar laat BOSA vooral zien dat de overheid onvoldoende strategisch kijkt naar de sportinfrastructuur. “De essentie is dat heel veel verenigingen ondersteuning nodig hebben en dat er onvoldoende geld voor wordt uitgetrokken. Die BOSA-regeling wordt totaal niet strategisch ingezet. Wat financieren we wel, wat financieren we niet? Die afweging ontbreekt. Het begint bij te weinig geld.” Voor clubs die rekenden op ondersteuning kan dat grote gevolgen hebben. Zeker bij renovatie, verduurzaming of noodzakelijke aanpassingen aan accommodaties. Dobbe ziet daarin geen incident, maar een symptoom van een bredere politieke onderschatting van sportverenigingen. “Die verenigingen zijn gewoon het fundament van de samenleving, veel buurten en veel dorpen. Ze zijn ontzettend belangrijk.”
Schoolzwemmen en buitenspelen
Schoolzwemmen past voor Dobbe in het bredere verhaal over gelijke kansen en bewegen. De SP wil schoolzwemmen opnieuw invoeren, zodat ieder kind leert zwemmen. “Als je dat zelf moet organiseren,’is het voor veel mensen niet te betalen. Want mensen met geld kunnen het wel zelf betalen, en mensen met weinig geld niet, waardoor je ongelijkheid krijgt wie wel of niet kan leren zwemmen,” zegt Dobbe. “Nederland is een waterland. Het is belangrijk dat iedereen leert zwemmen.” Volgens haar hoort zwemmen bij onderwijs én bewegingsonderwijs. “Je leert kinderen iets en kinderen bewegen op school. Het past gewoon heel goed in het onderwijsprogramma. We deden dit eerder ook, dus we weten dat het kan. We weten ook dat het werkt.” Daarnaast wijst Dobbe op de toegankelijkheid van buitenspelen. Volgens haar zijn er nog altijd gemeenten zonder toegankelijke speelplek voor kinderen met een beperking. De SP pleitte eerder voor minimaal één toegankelijke speelplek in elke gemeente. Dobbe noemt dat nadrukkelijk een ondergrens. “Dat is dan nog het minimum. In een grote stad hoop je natuurlijk niet dat er maar één plek is. En in gemeenten met veel dorpen gaat het om enorme afstanden. Maar zelfs dat minimum gebeurt nu al niet overal.”
Geen luxe, maar basis
De rode draad in Dobbes verhaal is duidelijk: sportverenigingen leveren maatschappelijke waarde, maar krijgen daarvoor te weinig structurele erkenning. Sportbeleid mag volgens haar niet afhangen van incidentele potjes, tijdelijke akkoorden of een loting bij overvraagde subsidieregelingen. Voor Dobbe hoort sport bij de basis. Niet als luxe, maar als voorziening die mensen gezonder maakt, jongeren kansen biedt en buurten sterker verbindt.
“Als we het hebben over een weerbare samenleving, dan moet je juist de dingen koesteren die de samenleving bij elkaar houden. Niet afbreken.”
Zelf probeert Dobbe ook ruimte te maken voor beweging in haar vrije tijd, al vraagt haar politieke agenda om flexibiliteit. “Ik doe één keer per week aan yoga bij een kleine school bij mij om de hoek”, vertelt ze. “En ik probeer wanneer mogelijk hard te lopen, omdat dat op elk moment kan en in mijn wat onvoorspelbare agenda kan worden ingepast.”

Lees ook interviews vanuit de wetenschap en politieke leider hieronder over het onderzoek en de waarde van sportverenigingen:
- Artikel oud burgermeester Amsterdam en oud fractie voorzitter Job Cohen, lees artikel
- Oud minister VWS Edith Schippers, lees artikel
- Wethouder Sport Gerben van Duin, lees artikel
- Prof. dr. Kees Boersma, lees artikel
- Prof. dr. Paul van Lange, lees artikel
- Prof. dr. Eugene Loos, lees artikel

